|
|
|
| José Angel Valente
[I984] De
schittering 'Zodat
de pneuma een materie is die een
eigenschap wordt van de ziel, en de
vorm van die materie bestaat
in de juiste verhouding tussen
lucht en vuur.' VETERUM
FRAGMENTA I En lo gris, la tenue convicción del suicidio. El verano tenía la piel húmeda. Se pegaha secreta en los residuos del paladar la sed. Crecieron escondidos las arañas envolviendo la voz en improhahles redes. Pálidos caían uno a uno los muñecos ahatidos del alba. Acaso tú con lento amor los fueras destruyendo. Se pega jadeante la piel del aire al cuerpo No estoy. No estás. No estamos. No estuvimos nunca aquí donde pasar del otro lado de la muerte tan
leve parecía. I In het
grijs, de
zwakke overtuiging van de zelfmoord. Klam de
huid van de zomer. De
dorst klitte heimelijk aan de
bezinksels van het gehemelte. De
spinnen groeiden verholen en
wikkelden de stem in onwaarschijnlijke webben. Bleek vielen
een voor een de neergehaalde poppen
van de dageraad. Wellicht
was jij het die ze
met trage liefde vernielde. Hijgend
plakt de huid
van de lucht aan het
lichaam van de slaper. Ik
besta niet. Jij bestaat niet. Wij
bestaan niet. Nooit bestonden wij hier
waar oversteken naar de
andere kant van de dood zo
licht leek. VII Arrastraba su cuerpo como ciego fantasma de su nunca mañana. Ardió de pronto en los súbitos bosques el dia. Vio la llama, conoció la llamada. El cuerpo alzó a su alma, se echó a andar.
VII Hij
sleepte zijn lichaam als het
blinde spook van
zijn onmogelijke ochtend. Opeens
ontvlamde de dag in de
onverhoedse bossen. Hij zag
de gloed, herkende
de roep. Het
lichaam hielp zijn ziel overeind, begon
te lopen. VIII Vuelvo a seguir ahora tu glorioso descenso hacia los centros del universo cuerpo giratorio, una vez más ahora, desde tus propios ojos, tu larga marcha oscura en la materia más fulgurante del amor. La noche. Me represento al fin tu noche y su extensión, la noche, tu salida al absoluto vértigo, la nada. (Elegfa,
Piazza Margana) VIII Nu
begin ik opnieuw je
roemrijke afdaling te volgen naar de
middelpunten van het
als een lichaam tollende universum, nu nog
een keer, vanuit
je eigen ogen, je
trage donkere tocht in de meest schitterende
materie van de liefde. De
nacht. Eindelijk
stel ik mij je nacht voor en zijn
bereik, de nacht, je vertrek naar de
absolute duizeling, het
niets. (Elegie,
Piazza Margana) XII Moluscos lentos, sembrada estás de mar, adentro de ti hay mar: moluscos del beber en ti el mar para que nunca en ti tuvieran
fin las aguas. XII Trage
schelpdieren, je bent
met zee bezaaid, binnenin jou, de
zee: schelpdieren van het drinken in jou
de zee opdat
nooit in jou de
wateren eindigen. XV Cuerpo, lo oculto, el encubierto, fondo de la germinación, la luz, delgados hilos líquidos, medulas, estambres con que el cuerpo alrededor de sí sostiene el aire, bóveda, pájaro
tenue, terminal, tejido de luz
corpórea al cabo el
despertar. XV Lichaam,
het verborgene, heimelijke,
bodem van het
ontkiemen, het
licht, fijne
draadjes vloeibaar
, merg, meeldraden
waarmee het lichaam om zich
heen de lucht stut,
gewelf, tere
vogel, eindig, weefsel van
lichamelijk licht tot het einde het
ontwaken. XXV Entrar, hacerse hueco en la concavidad, ahuecarse en lo cóncavo. No puedo ir más allá, dijiste, y la frontera retrocedió y el limite quebróse aún donde las aguas fluían más secretas bajo el arco radiante de tu noche.
XXV Binnengaan, holte
worden in het
holle, hol
worden in het holle. Ik kan
niet verder,
zei je, en de grens week
terug en nog brak de
limiet waar de wateren heimelijker
vloeiden onder
de stralende boog van je nacht. XXVIII A los recintos ultimos del alma nocturno entraste, cuerpo, para que no pudiera morir, para llevarla en tus desnudos brazos a la raya del sol, en el ardiente confin del dia o de la luz que ya se avecinaban. (Epitalamio )
XXVIII In de
laatste zalen van de nachtelijke ziel
ging je binnen, lichaam, opdat ze niet
zou kunnen sterven,
om haar in je naakte armen tot aan
de lijn van de zon te
brengen, op de brandende rand
van de dag of van het licht die al
nader kwamen. (Epithalamium
) XXX Venías,
ave, corazón, de vuelo, venías
por los líquidos más altos donde duermen la luz y las salivas en la penumbra azul de tu garganta. Ibas, que voy de vuelo, apártalos, volando a ras de los albores más tempranos. Sentirte así venir como la sangre, de golpe, ave, corazón, sentirme, sentirte al fin llegar, entrar, entrarme, ligera como luz, alborearme.
XXX Jij
kwam, vogel, hart, in je vlucht, jij
kwam naar vloeistoffen, de hoogste, waar
licht en speeksel slapen in de
blauwe schemer van je keel. Jij
ging, ik in mijn
vlucht, drijf ze uiteen, en vlieg over
het vroegste dagen rakelings. Je zo
voelen, zoals het bloed, je komt, en
plots voel ik mij, vogel, hart, voel ik jou
eindelijk komen, binnen, in mij, zo
licht als licht, mijn dageraad bewonen XXXV La aparición del pájara que vuela y vuelve y que se pasa sabre tu pecha y te reduce a grano, a grumo, a gota cereal, el pájaro que vuela dentro de ti, mientras te vas hacienda de sola transparencia, de sola luz, de tu sola materia, cuerpo bebido por el pájaro.
XXXV De
verschijning van de vogel die vliegt en
terugkeert en neerstrijkt op je
borst en je tot korrel maakt, klonter,
druppel graan, de vogel die in
jou binnen vliegt,
en zelf word jij helemaal doorschijnend, een en
allicht, een en
al jouw materie, lichaam gedronken
door de vogel. XXXVI y todo lo que existe en esta hora de absoluto fulgor se abrasa, arde contigo, cuerpo, en la incendiada boca de la noche.
XXXVI En
alles wat op dit uur bestaat met
absolute schittering ontvlamt,
brandt met
jou, lichaam, in de
ontvlamde mond van de nacht. [I980] Drie
lezingen in het donker 'De
heilige -gezegend zij hij -woont in de letters.' DOV
BAER VAN MEZERITZ Primera lección Bet Casa, lugar, habitación, morada: empieza así la oscura
narración de los tiempos: para que algo tenga duración, fulguración,
presencia: casa, lugar, habitación, memoria: se hace mano lo cóncavo y centro
la extensión: sobre las aguas: ven sobre las aguas: dales nombres: para que lo
que no está esté, se fije y sea estar, estancia, cuerpo: el hálito fecunda al
humus: se despiertan, como de si, las formas: yo reconozco a tientas mi morada.
Eerste
les Bêt Huis,
plek, kamer, verblijf: zo begint de donkere vertelling van de tijden: opdat iets
duur, schittering, aanwezigheid heeft: huis, plek, kamer, geheugen: het holle
wordt hand en de omvang midden: over de wateren: kom over de wateren: geef ze
namen: opdat wordt wat niet is, zich vastzet en bestaan, verblijf, lichaam
wordt: adem bevrucht humus: de vormen ontwaken, als uit zichzelf: tastend herken
ik mijn verblijf. Segunda lección Zayin Ahora tenía ante sí lo posible abierto a lo posible y lo
posible: y para no morir de muerte tenía ante sí mismo el despertar: un dios
entró en reposo el dia séptimo: vestiste te armadura: señor de nada, ni el
dios ni tú: tu propia creación es tu palabra: la que aún no dijiste: la que
acaso no sabrias decir, pues elIa ha de decirte: la que aguarda nupcial como la
sierpe en la humedad secreta de la piedra: no hay memoria ni tiempo: y la
fidelidad es como un pájaro que vuela hacia otro cielo: nunca vuelvas: un dios
entró en reposo: se desplegaba el aire en muchas aves: en espejos de espejos la
mañana: en una sola lágrima el adiós: te fuiste como el humo que deshace
incansable sus múltiples figuras: no adorarás imágenes: señor de nada: en el
urnbral del aire: tu planta pisa el despertar.
Tweede
les Zajin Nu lag
het mogelijke voor hem, open op het mogelijke en het mogelijke: en om niet van
dood te sterven lag voor hem het ontwaken: een god ging rusten op de zevende
dag: jij trok je wapenrusting aan: heer van niets, god noch jij: je eigen
schepping is je woord: dat wat je nog niet sprak: dat wat je misschien niet zou
kunnen spreken, want het moet jou spreken: dat wat huwbaar wacht zoals de slang
in de geheime vochtigheid van de steen: geheugen noch tijd bestaan: en de t Tercera lección Nun Para que sigas: para que sigas y te perpetúes: para que la
forma engendre a la forma: para que se multipliquen las especies: para que la
hoja nazca y muera, vuelva a nacer y vea la imagen de la hoja: para que las
ruinas de los tiempos juntos sean la eternidad: para que el rostro se transforme
en rostro: la mirada en mirada: la mano al fin en reconocimiento: oh Jerusalem.
Derde
les Nun Opdat
je verder loopt: opdat je verder loopt en eeuwig wordt: opdat de vorm de vorm
verwekt: opdat de soorten zich vermenigvuldigen: opdat het blad ontstaat en
sterft, opnieuw ontstaat en van het blad het beeld ziet: opdat de ruïnes van de
tijden samen
de eeuwigheid worden: opdat het gezicht zich in gezicht verandert: de blik in
blik: de hand eindelijk in herkenning: o Jeruzalem. [1996] Niemand 'Het
donker is voor jou niet donker en de
nacht lichtend als de dag. Duisternis
is licht.' PSALM
139, 6 Nadie Flotar en la incierta realidad de ser, tentar a ciegas lo improbable, no
teller asidero en tanta sombra. Los
cuerpos de los ahogados en el mar meditan boca abajo, pero no ven el fondo con
los ojos vacíos. El anciano volvió con una antorcha e iluminó los barcos
naufragados. Se alzó desde la noche un coro en una lengua imposible de interpretar. Esta
es la verdadera canción, pensaste, y luego te fuiste diluyendo, despacio, muy
despacio, en lo no descifrable.
Niemand Drijven
in de onzekere werkelijkheid van het zijn, in het donker ervaren wat
onwaarschijnlijk is, zonder houvast in zoveel donker. In de zee mediteren de
lichamen van de verdronkenen op hun buik, maar met hun lege ogen zien ze de
bodem niet. De oude man kwam terug met een toorts en verlichtte de boten die
schipbreuk hadden geleden. Uit de nacht steeg een koor en zijn taal was
onbegrijpelijk. Je dacht: dit is het ware lied, en traag, heel traag begon je op
te lossen in het onontcijferbare. Proyecto de epitafio De ti no quedan más que estos fragmentos rotos. Que alguien los recoja con amor, te deseo, los tenga junto a si y no los deje totalmente morir en esta noche de voraces sombras, donde tú ya indefenso todavia
palpitas. Ontwerp
voor een grafschrift Van jou
blijft niets, alleen
deze gebroken fragmenten. Dat
iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe, ze
koestert en ze niet geheel en al laat
sterven in deze nacht van
gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos blijft
trillen. Redoble por los Kaiowá del Mato Grosso del Sur La lluvia cayó sobre las hojas hasta agotar los números del tiempo. El río trajo la bronca imagen de los asesinos reflejada en sus aguas más oscuras. Venían con sus dioses de bolsillo, aguardentosos, tristes, ávidos. El áspero ruido de sus botas llegaba basta las bóvedas Vosotros os levantasteis hacia el aire No sabeis cuántos murieron, cuántos habeis quedado, qué quedará de todo y de la luna cuando ya nada quede de vosotros. Fazendeiros de fazendas e mortes cheios de sombra. Quien esté ciego para verlo no merece vivir. El mate ardiente pasa de una mano a otra mano. Todas las manos juntas representan el nuevo nacimiento, el vuestro, el nuestro,
si aún nos fuera posible nacer a vuestro lado en la tierra sin mal.
Tromgeroffel
voor de Kaiowa van de zuidelijke Mato Grosso De
regen viel op de bladeren en
putte de getallen van de tijd helemaal uit. De
rivier bracht het rauwe beeld van de moordenaars weerspiegeld
op de donkerste wateren. Ze
kwamen met hun goden in zakformaat, stonken
naar brandewijn, droevig, inhalig. Het
harde kletteren van hun laarzen steeg
tot de gewelven van de hemel. Jullie
zijn in de lucht opgevlogen als een
klad weerloze vogels. Jullie
weten niet hoeveel er gestorven zijn, met
hoevelen jullie nog waren, wat van
alles en van de maan zal blijven wanneer
van jullie niets meer blijft. Fazendeiros de fazendas e mortes cheios de sombra. Wie
blind is en dit niet ziet, verdient het niet te leven. De hete
maté gaat van
hand tot hand. Alle
handen samen vormen de
nieuwe geboorte, de uwe, de onze,
als we
nog aan uw
zijde geboren konden worden op de
aarde zonder kwaad. * Al lento sol que baja hacia la tarde ceder, abandonarse. Declinación. El flujo del vivir se ha ido deteniendo imperceptible Como el borde del vuelo o la caricia. Aún dura leve lo que fuera huella de su tacto tenue. No sé si salgo o si retorno. ¿Adónde? El fin es el comienzo. Nadie me dice adiós. Nadie me espera. Entrar ahora en el poniente, ser absorbido en luz con vocación de sombra. y tÚ, que me has amado, sacrifica a las divinidades de la noche lo más puro de mi que en tu secreto reino sobreviva. (Luces
hacia el poniente) * Wijken
voor de trage zon die naar de avond neigt,
zich eraan overgeven. Verval. De
stroom van leven is
stilaan onmerkbaar opgedroogd zoals
de rand van vlucht of streling. Ijl
duurt nog wat van zijn lichte aanraking een
spoor was. Ik weet
niet of ik vertrek of terugkeer . Waarheen'? Het
einde is het begin. Niemand zegt me
vaarwel. Niemand die op me wacht. Nu
binnengaan in de ondergaande zon, opgeslorpt
worden in licht, tot
schaduw geroepen. En jij,
die mij hebt liefgehad, offer aan de
goden van de nacht het
zuiverste deel van mij dat in
je geheime rijk zal overleven. (Lichten
naar de ondergaande zon) * Si depués de morir nos
levantamos, si después de morir vengo hacia ti como venía antes y hay algo en mi que tú no reconoces porque no soy el mismo, qué dolor el morir, saber que nunca alcanzaré los bordes del ser que fuiste para mí tan dentro de mi mismo, si tú er as yo y entero me invadiás por qué tan ciega ahora esta frontera, tan aciago este muro de palabras súbitamente heladas cuando más te requiero, te digo ven y a veces todaviá me miras con ternura nacida sólo del recuerdo. Qué dolor el morir, llegar a ti, besarte desesperadamente y sentir que el espejo no refleja mi rostro ni sientes tú, a quien tanto he amado, mi
anhelante impresencia. (Elegia:
fragmento) * Als we
na de dood opstaan, als ik
na de dood naar
jou kom zoals ik vroeger kwam en in
mij is er iets wat jij niet herkent omdat
ik niet dezelfde ben, wat een
pijn doet sterven, weten dat ik nooit de
randen zal bereiken van het
wezen dat jij voor mij was zo diep binnen in
mijzelf, als jij
ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong waarom
is deze grens dan zo blind, zo
rampzalig deze muur van woorden die
plotseling bevroren nu ik
je het hardst nodig heb, ik zeg
je kom en soms kijkje
me nog aan met een tederheid alleen
uit de herinnering geboren. Wat een
pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen wanhopig en
voelen dat de spiegel mijn
aangezicht niet weerspiegelt noch
voel jij van wie
ik zielsveel heb gehouden mijn
hunkerende onaanwezigheid. (Elegie:
fragment) * Tal vez en el
sediento, oscuro, rápido deshacerse del día te has ido transformando en otra cosa limitrofe de ti, no tú. No vuelves a encontrarte si regresas a tientas al cuerpo que tuviste, allugar donde ardiera hasta el blanco del sueño el hierro del amor. Depón tu rostro que ahora desconoces. Deja huir tus palabras, libéralas de ti y pasa lentamente, desmemoriado y ciego, bajo el arco dorado que arriba tiende el anchuruso otoño como homenaje póstumo a las sombras. (Arco
de triunfo) * Misschien
in het dorstige, donkere, haastige verbrokkelen
van de dag ben je
langzaam veranderd in iets anders, in iets
wat aan je grenst, niet
jij. Je komt
niet tot
jezelf terug als je
tastend terugkeert naar
het lichaam dat je had, naar de
plek waar tot in het wit van de
droom het metaal van de
liefde schroeide. Leg
neer je aangezicht dat je
nu niet meer kent. Laat je
woorden vluchten, bevrijd
ze van jou en stap
traag, onheuglijk
en blind, onder
de vergulde boog die de
weidse herfst daarboven spant als
laatste eer aan de schaduwen. (Triomfboog)
* que un ho mb re joven viene de tiempo en tiempo a visitar tu tumba. Desbroza los hierbajos. Un hombre joven, dicen, bello con un sombrero campesino. Interrogado, dijo ser un amigo de tus familiares. ¿Quién es esa figura que así acude? Tal vez eres tu mismo que regres as para ver dónde estás y depositas al pie de tus cenizas, húmedo, un ramo de
lluvia, o de tristeza. (El
visitante ) Iemand
zegt me dat een
jongeman van
tijd tot tijd je graf komt bezoeken. Hij
wiedt het onkruid. Een
jongeman. zeggen ze, mooi, met een
boerenhoed. Toen ze
het hem vroegen zei hij dat hij
een vriend van je familie is. Wie is
die gedaante die zo opdaagt'? Misschien
ben jij het wel die terugkomt om te
zien waar je bent en die aan de
voet van je as, nat,
een takje regen
of verdriet neerlegt. (De bezoeker )
* Toda tu luz irrumpe duradera, dura como la piedra. Vienes tan inmóvil, tan adentro de ti. Lo hondo. En tu sola existencia, tu sola luz, estás ardiendo
para siempre. (Presencia
) * Je
plotselinge aanwezigheid. Al je
licht stroomt binnen, duurzaam, hard als
steen. Je komt zo
onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd. Het
diepe. In je
enige bestaan, je
enige licht, brand
je voor altijd. (
Aanwezigheid) * Los sentidos saltan sobre los pensamientos. ECKHART en tu luz no visible. no engendrado, único, el único. Se posa tu mirada en la ausencia de ti o en la no descifrable irrupción de tu forma en tu vacio. Y allí dejas la huella de tu paso. Sali tras ti. Devuélveme a tus ojos que llevo en mis entrañas dibujados. (La
nada) * 'De
gevoelens springen over de gedachten.' ECKHART Je bent
daar in je
licht niet zichtbaar, niet verwekt, enig,
de enige. Je blik
legt zich op de
afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar, onverhoedse
binnenstromen van je vorm in je leegte En daar
laat je je stapspoor achter. Ik liep
achter je aan. Geef me
terug aan je ogen die ik
draag in mijn ingewanden gegrift. (Het
niets) * Esta acidez me es grata al corazón si no estuviera a punto de expirar. Abre aún la ventana en la que el aire agolpa párajos dede el bosque amarillo donde aún empieza a clarear la luz. Llama a mi puerta. Dime quién eres tú que ahora llegas cuando todo parece termillar. Cabellera del tiempo arrastra noches como ríos sin término hacia el adiós. Amiga, vuelve a la vida, tu que puedes aún. En la otra orilla tu figura blanca, erguida, guarda el solo testimonio cierto
de mi. (Figura) * Die
zuurte streelt mijn hart hoewel
ik bijna sterf. Open
nog het raam waartegen de lucht vogels
werpt uit het gele bos waar
het licht nog klaart. Klop op
mijn deur. Zeg me wie je
bent jij die nu komt wanneer
alles lijkt te eindigen. De
haardos van de tijd rukt nachten weg als
rivieren eindeloos op weg
naar vaarwel. Vriendin,
kom tot het
leven terug, jij kunt het nog. Rechtop,
op de andere oever, bewaart je
witte gedaante het enige zekere getuigenis
van mij. (Gedaante)
|
|
|
canandanann 31-01-07
|