|
|
|
|
Tomas Tranströmer
Een
junimorgen als het te vroeg is Om
te ontwaken en te laat om weer te gaan slapen. Ik
moet eruit, het groen in dat vol zit met Herinneringen,
zij volgen mij met hun blik. Ze
zijn onzichtbaar, ze smelten totaal Samen
met hun achtergrond, perfecte kameleons. Ze
zijn zo dichtbij dat ik ze hoor ademen Hoewel de vogelzang oorverdovend is.
Op
de grote invalsweg naar de stad wanneer
de zon laag staat. Het
verkeer neemt toe, kruipt. Het
is een trage glinsterende draak. Ik
ben een van zijn schubben. Plotseling
staat de rode zon recht
voor de voorruit en stroomt
naar binnen. Ik
ben doorzichtig en
een schrift wordt zichtbaar binnen
in mij woorden
in onzichtbare inkt opdoemend wanneer
het papier boven het vuur wordt gehouden! Ik
weet dat ik ver weg moet dwars
de stad door en daarna verder,
tot het tijd is om naar buiten te
gaan en lang in het bos rond te zwerven. In
het voetspoor van de das te lopen. Het
wordt donker, slecht zicht. Daar,
op het mos, liggen stenen. Een
van de stenen is kostbaar. Hij
kan alles veranderen hij
kan het donker doen oplichten. Hij
is een schakelaar voor het hele land. Alles
hangt van hem af. Kijk
naar hem, raak hem aan...
Moe
van iedereen die met woorden komt, met woorden maar niet met taal ging
ik naar het sneeuwbedekte eiland. Het
ongerepte heeft geen woorden. De
ongeschreven bladzijden breiden zich naar alle kanten uit! In
de sneeuw stuit ik op hoefsporen van een ree. Taal
maar geen woorden.
Betoverd
worden -niets is eenvoudiger. Het is een van de oudste trucs
van de aarde en de lente: de blauwe anemonen. Ergens zijn zij onverwacht.
Ze schieten omhoog uit het bruine geritsel van verleden jaar,
op over het hoofd geziene plekken waar de blik anders nooit ver- wijlt.
Zij branden en zweven, ja zweven, en dat komt door hun kleur. Die
intense violetblauwe kleur weegt nu niets meer. Hier heerst exta- se,
maar gedempt. 'Carrière' -niet ter zake! 'Macht' en 'publiciteit' - belachelijk!
Natuurlijk zetten zij een grote ontvangst in Niniveh op touw,
zij maakten lawaai en groot gedruis. Hoog aan de zoldering - boven
alle schedels hingen kristalluchters als gieren van glas. In plaats van
zulk een overgedecoreerde en rumoerige cul de sac openen de blauwe
anemonen een geheime gang naar het echte feest, dat doodstil IS.
I Agenda
volgeschreven, toekomst een vraag. De
kabel neuriet een volksliedje zonder vaderland. Sneeuwval
in de loodstille zee. Schaduwen slaan
tegen de kade. II Midden
in het leven komt soms de dood en
neemt mensen de maat. Dat bezoek wordt
vergeten en het leven gaat door. Maar het kostuum wordt
in stilte gestikt.
Madame
veracht haar gasten omdat zij willen logeren in haar vunzige
hotel. Ik
heb de hoekkamer op de tweede verdieping: armzalig bed, peertje
aan het plafond. Vreemd
genoeg zware gordijnen waarin een kwart miljoen onzichtbare
mijten rondmarcheren. Buiten
trekt een wandelstraat voorbij met
trage toeristen, snelle schoolkinderen, mannen in werkkledij, rammelende
fietsen aan de hand. Zij
.die menen dat zij de wereld laten draaien en zij die menen hulpeloos
rond te tollen in de greep van de aarde. Een
straat waar wij allen lopen, waar komt die uit? Het
enige raam van de kamer ziet uit op iets anders: Het Wilde Plein, een
gistend stuk grond, een groot trillend oppervlak, soms vol mensen, soms
leeg. Wat
ik in mij heb komt daar concreet tot uiting, alle vrees, alle hoop. At
het ondenkbare dat toch gebeuren zal. Ik
heb lage oevers, stijgt de dood twee decimeter dan raak ik overstroomd. Ik
ben Maximiliaan. Het jaar 1488. Ik word gevangen gehouden hier
in Brugge omdat
mijn vijanden besluiteloos zijn - het
zijn boosaardige idealisten en wat zij op de binnenplaats der
verschrikking hebben uitgericht kan ik niet beschrijven, kan
geen bloed veranderen in inkt. Ik
ben ook de man in overall die zijn rammelende fiets voortduwt daarbeneden
op straat. Ik
ben ook de geziene, de toerist die loopt en stilstaat, loopt en stilstaat en
zijn blik over de maanverbrande bleke gezichten en golvende draperieën
op de oude schilderijen laat dwalen. Niemand
beslist waarheen ik zal gaan, ikzelf wel het allerminst, toch
staat iedere stap vast. Rond
te lopen in de fossiele oorlogen waar allen onkwetsbaar zijn omdat
ze allen dood zijn! De
stoffige bladermassa's, de muren met hun sleuven, de
tuinpaden waar versteende tranen onder je hakken knarsen... Plotseling
alsof ik struikel over een verborgen draad begint het klokkenspel
in de anonieme toren te spelen. Carillon!
De zak springt in zijn zomen open en de tonen rollen
over Vlaanderen uit. Carillon!
Het koerende ijzer der klokken, psalm en straatdeun, alles
ineen, bevend in de lucht geschreven. De
beverige dokter schreef een recept uit dat niemand kan lezen maar
het handschrift herkent men... Over
daken en pleinen, gras en gewas beieren
de klokken voor levenden en doden. Christus
en de Antichrist moeilijk te scheiden! Uiteindelijk
vliegen de klokken ons huiswaarts.
Ik
ben terug op de hotelkamer, het bed, de lamp, de gordijnen. Vreemde
geluiden hoor ik, de kelder die zich de
trappen opsleept. Ik
lig op bed met mijn armen gespreid. Ik
ben een anker dat zich stevig ingegraven heeft en de geweldige
schaduw drijvend daarboven op zijn plaats houdt, het
grote onbekende waar ik deel van uitmaak en dat zeker belangrijker
is dan ikzelf. Buiten
trekt de wandelstraat voorbij, de straat waar mijn voetstappen
wegsterven evenals het geschrevene, mijn voorwoord
tot de stilte, mijn binnenstebuiten gekeerde psalm.
De
stille razernij kloddert op de binnenmuur. Vruchtbomen
in bloei, de koekoek roept. Het
is de narcose van het voorjaar. Maar de stille razernij schildert
zijn leuzen naar achteren in de garage. Wij
zien alles en niets, maar recht als periscopen bediend
door de schuwe onderaardse bemanning. Dit
is de oorlog der minuten. De brandende zon staat
boven het ziekenhuis, parkeerplaats van het lijden. Wij
levende spijkers in de maatschappij geramd! Op
een dag zullen wij van alles losraken. Wij
zullen de lucht van de dood onder onze vleugels voelen en
milder en wilder zijn dan hier.
Ontwaken
is een parachutesprong uit de droom. Vrij
van de verstikkende maalstroom zinkt de
reiziger de groene gordel van de ochtend tegemoet. De
dingen laaien op. Hij bespeurt -vanuit de vibrerende positie van de
leeuwerik -de onderaards zwaaiende kroonkandelabers van de
immense boomwortelstelsels. Maar bovengronds staat -
in tropische overvloed -het groen met
geheven armen te luisteren naar het
ritme van een onzichtbaar pompgemaal; Hij zinkt
naar de zomer, wordt neergelaten in zijn
verblindende krater, in schachten van
vochtig groen gelaagde tijd, trillend
onder de zonneturbine. Dan wordt deze loodrechte
reis door het ogenblik beëindigd en spreiden vleugels
zich in de zweefstand van de visarend boven een waterstroom
uit. De
vogelvrije klank van een
hoorn uit de brons-periode hangt
boven het bodemloze. In de
eerste uren van de dag omvaamt het bewustzijn de
wereld zoals de hand een zonwarme steen vastgrijpt. De
reiziger staat onder de boom. Zal er zich, na zijn
val door de maalstroom van de dood, boven
zijn hoofd een groot licht ontvouwen?
Zie de
grauwe boom. De hemel is door zijn
vezels de aarde ingestroomd - wanneer
de aarde gedronken heeft rest slechts
een verschrompelde wolk. Ontvreemde ruimte in het
vlechtwerk van wortels gewrongen, omgesponnen
tot gebladerte. -Deze korte momenten van
vrijheid ontstijgen ons, wervelen door
het bloed der schikgodinnen en verder.
Soms
sloeg mijn leven zijn ogen in het donker op. Een
gevoel alsof volksmassa's blind en onrustig door de
straten trokken op weg naar een wonder, terwijl
ikzelf onzichtbaar blijf staan. Als het
kind dat doodsbang in slaap valt luisterend
naar de zware stappen van zijn hart - Lang,
lang tot de ochtend zijn stralen in de sloten steekt en de
deuren van het donker opengaan. I Op een
dag in maart daal ik af naar het meer en luister. Het ijs
is even blauw als de hemel. Het breekt open onder de zon. Zon die
ook in een microfoon onder de ijslaag fluistert - Het
gorgelt en gist. En in de verte lijkt iemand een laken uit te schudden. Dat
alles lijkt op de Geschiedenis: ons HEDEN .Wij zijn neergelaten, wij luisteren.
II Conferenties
als vliegende eilanden op het punt neer te storten... Daarna:
een lange trillende brug"van compromissen. Daar
zal al het verkeer overheen gaan, onder de sterren, onder
de bleke gezichten van de ongeborenen, de leegte ingeslingerd, anoniem als korrels rijst. III Goethe
reisde in 1926 in Afrika verkleed als Gide en zag alles. Sommige
gezichten worden' duidelijker van alles wat ze na de dood te
zien krijgen. Toen
het dagelijks nieuws uit Algerije werd gelezen verscheen
er een groot huis waarvan alle ramen verduisterd waren, alle behalve een. Daarachter zag men Dreyfus' gezicht. IV Radicaal
en Reactionair leven samen als in een ongelukkig huwelijk, gevormd
door elkaar, afhankelijk van elkaar. Maar
wij, hun kinderen, moeten ons losrukken. leder
probleem roept in zijn eigen taal. Ga als een speurhond naar waar de waarheid trappelde! V Buiten
op het open terrein, niet ver van de bebouwing ligt
sinds maanden een vergeten krant, vol van gebeurtenissen. Zij
veroudert in dagen en nachten, in regen en zon, is
bezig een plant te worden, een kool, bezig zich te verenigen met de
aarde. Zoals
een herinnering langzaam verandert in wat je bent.
Slaperig
geworden tijdens het rijden stuur ik de auto onder de bomen
aan de kant van de weg. Ineengerold op de achterbank val ik in
slaap. Voor hoelang? Uren. De nacht was gevallen. Plotseling
wakker herken ik mijzelf niet. Klaar wakker, maar het
helpt niet. Waar ben ik? Wie ben ik? Ik ben iets dat op een achterbank
wakker schiet en in paniek rondworstelt als een kat in een
zak. Wie? Eindelijk
keert mijn leven terug. Mijn naam nadert als een engel. Buiten
de muren klinkt een trompetstoot (als in de Leonore - ouverture)
en de reddende schreden dalen pijlsnel de al te lange trap
af. Ik ben het! Ik ben het! Maar
onmogelijk te vergeten die strijd van vijftien seconden in de hel der
vergetelheid, een paar meter bezijden de hoofdweg waar het
verkeer met licht aan voorbijglijdt.
Op een
ochtend stond ik mij boven te
scheren voor
het open raam. Zette
het scheerapparaat aan. Het
begon te spinnen. Het
zoemde luider en luider. Het
groeide aan tot geraas. Het
groeide aan tot een helikopter en een
stem -van de piloot -drong door
het geraas en schreeuwde: 'Houd
je ogen open! Je ziet
dit voor de laatste keer.' We
stegen op. Vlogen
laag over de zomer. Zoveel
waar ik van hield, heeft het enig gewicht? Dozijnen
dialecten van groen. En
vooral het rood in de wanden van houten huizen. De
torren glansden in de mest, in de zon. Kelders
met wortel en al uitgetrokken zeilden
door de lucht. Activiteit. De
drukpersen kropen voort. Op dit
moment waren de mensen de
enigen die zich stilhielden. Zij
namen een minuut stilte in acht. En
vooral de doden op de dorpskerkhoven waren
stil zoals
men poseerde voor een foto in de beginjaren van de camera. Vlieg
laag! Ik wist
niet waar mijn
hoofd te wenden - mijn
gezichtsveld gedeeld als dat
van een paard.
I Ik
deins terug voor iets dat overdwars aan komt sloffen door de
natte sneeuw. Fragment
uit wat komen gaat. Een
losgebroken muur. Iets zonder ogen. Hard - Een
gezicht van tanden! Een
vrijstaande muur. Of staat het huis daar ofschoon
ik het niet zie? De
toekomst: een leger lege huizen dat
zich een weg zoekt door de natte sneeuw. II Twee
waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één
van buitenaf en waar
zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien. Hij die
merkt wat er te gebeuren staat roept vertwijfeld: 'Halt! om het
even wat, als ik mijzelf maar niet hoef te kennen.' En er
is een boot die aan wil leggen -dat precies hier probeert - hij zal
het duizenden malen proberen. Uit het
duister van het bos komt een lange bootshaak die door het
open raam wordt geschoven, dwars
tussen de feestgangers die zich warm hebben gedanst. III De
woning waar ik het grootste deel van mijn leven heb gewoond moet
leeggeruimd. Alles is er nu uit. Het anker is losgeslagen - alhoewel
er nog steeds hele
stad. De waarheid heeft geen meubels van node. Ik ben het leven één
keer rondgereisd en teruggekeerd naar het uitgangspunt: een leeggeblazen
kamer. Dingen die ik heb meegemaakt vertonen zich hier op
de muren als Egyptische schilderingen, scènes aan de binnen - kant
van een grafkamer. Maar zij raken steeds verder uitgewist. Het licht
is namelijk te sterk. De ramen zijn groter geworden. De lege woning
is een grote kijker gericht op de hemel. Zij is stil als een Quakerwijding.
Wat je hoort zijn de achtertuinduiven, hun gekoer. I
De
met ijs bedekte rivier straalt van zon hier
is het dak van de wereld de
stilte. Ik
zit op een aan land getrokken gekantelde boot slik
de pil van de stilte draai traag in het rond. II Een
wiel strekt zich eindeloos uit, wordt rondgedraaid. Hier is
de as, bijkans in
rust. Verder
weg is beweging: voetstappen in de sneeuw schrift
dat langs de gevels schuift. Het
dreunende verkeer op de autowegen en het
stille verkeer van
geesten. Verder
weg: de tragediemaskers in tegenwind in het
geraas van de haast - verder weg de
drukte waar de
laatste woorden van liefde verdampen - waterdruppels
die over de metalen vleugels rillen profielen
die roepen -de afgezette koptelefoons rammelen
tegen elkaar - kamikaze! III De met
ijs bedekte rivier glinstert en zwijgt. Diep
liggen hier de schaduwen zonder
stem. Mijn
voetstappen hierheen waren explosies in de grond die de
stilte overschildert overschildert.
I In het
avondduister op een plek buiten New York, een
uitzichtpunt van waaruit je met één enkele blik de
huizen van acht miljoen mensen kunt omvatten. De
reuzenstad daarginds is een langgerekte flikkerende sneeuwbui, een
spiraalnevel van opzij. In het
binnenste van de nevel worden koffiekopjes over de
toonbank geschoven, bedelen etalages bij voorbijgangers, een
krioelen van schoenen dat geen enkel spoor achterlaat. De
klimmende brandtrappen, de liftdeuren die dichtglijden, achter
deuren met veiligheidssloten een voortdurende stortvloed van
stemmen.. Ineengezakte
lichamen dutten in de subwaywagons, de voortstormende
catacomben. Ik weet
ook buiten alle statistiek om dat op ditzelfde moment ergens
daarginds in een kamer Schubert gespeeld wordt en dat voor
iemand die tonen werkelijker dan al het andere zijn. II De
eindeloze gebieden van de menselijke hersens zijn tot vuistgrootte
ineengefrommeld. In
april keert de zwaluw terug naar zijn nest van vorig jaar onder
de dakgoot van precies die schuur in precies die boerengemeente. Ze
vliegt vanaf Transvaal, passeert de equator, vliegt zes
weken lang over twee continenten, richt zich exact op dit
verdwijnende stipje in de landmassa. En hij
die de signalen van een heelleven in een paar doodgewone
akkoorden door vijf strijkstokken opvangt die een
rivier door het oog van een naald laat stromen is een
dikke Jongeman uit Wenen, door zijn vrienden 'de
Paddestoel' genoemd, die met zijn bril op sliep en 's
morgens punctueel voor zijn lessenaar ging staan. Waarop
de wonderbaarlijke duizendpoten van het notenschrift zich in
beweging zetten. III De vijf
strijkstokken spelen. Ik loop door lauwe bossen huiswaarts
met onder mij de verende grond kruip
in elkaar als een ongeborene, slaap, rol gewichtloos de toekomst
in, voel plotseling dat de planten gedachten hebben. IV Zoveel
waarop wij moeten vert te
kunnen leven zonder door de aarde te zakken! I Vert boven
het dorp vastklampen. Vert erop
vert de
plotselinge bijlslag van binnenuit uitblijft. Vert te
midden van de driehonderd keer vergrote stalen bijenzwerm. Maar
niets van dat alles is eigenlijk ons vert De vijf
strijkstokken zeggen dat wij op iets anders kunnen vert Op wat?
Op iets anders, en zij volgen ons een eindweegs daarheen. Zoals
wanneer het licht op de trap uitgaat en de hand - vol
vert V Wij
verdringen ons voor de piano en spelen vierhandig in
f-mo11, twee koetsiers op hetzelfde rijtuig, het ziet er een
tikje belachelijk uit. De
handen lijken klinkende gewichten te verplaatsen, alsof wij de
tegengewichten beroerden in een
poging de vreselijke balans van de grote weegschaalarm te
verstoren: vreugde en lijden wegen precies evenveel. Annie
zei 'deze muziek is zo heldhaftig', en dat is waar. Maar
zij die verholen jaloers de mannen van de daad gadeslaan, zij die
in diepste wezen zichzelf verachten geen
moordenaar te zijn zij
herkennen zichzelf hier niet. En de
velen die mensen kopen en verkopen en denken dat alles
te koop is, zij herkennen zichzelf hier niet. Niet
hun soort muziek. De lange melodielijn die zichzelf is in alle
transformaties, soms glinsterend en soepel, soms stug en
hard, slakkespoor en staaldraad. Het
halsstarrig neuriën dat ons volgt, nu opwaarts de
diepte in.
KORTE
PAUZE IN HET ORGELCONCERT Het
orgel houdt op met spelen en het wordt doodstil in de kerk maar
een paar seconden slechts. Dan
dringt van buiten het zwakke gebrom van het verkeer naar binnen,
het grotere orgel. Ja, wij
zijn omsloten door het verkeersgemompel rond - zwervend
langs de domkerkmuren. Daarlangs
glijdt de buitenwereld als een doorzichtig vlies met in
pianissimo strijdende schaduwen. Alsof
hij opging in de straatgeluiden hoor ik een van mijn polsen
in de stilte kloppen, .ik
hoor mijn bloed rondgaan, de waterval die zich binnen in mij
verbergt, waar ik mee rondloop, en even
dichtbij als mijn bloed en even veraf als een herinnering
aan toen ik vier was hoor ik
de vrachtwagen die voorbijrijdt en de zeshonderd jaar
oude muren doet trillen. Hier,
zo anders dan een moederomhelzing maar zijn kan, ben ik
toch een kind nu dat de
volwassenen in de verte hoort praten, de stemmen van
winnaars en verliezers vloeien ineen. Op de
blauwe banken zit een uitgedund gezelschap. En de pilaren verheffen
zich als wonderlijke bomen: geen
wortels {slechts de gemeenschappelijke vloer) en geen kroon
{slechts het gemeenschappelijke dak). Ik
herbeleef een droom. Dat ik alleen op een kerkhof sta. Overal
glanst heide zover
het oog reikt. Op wie wacht ik? Een vriend. Waarom komt hij
niet? Hij is er al. Zacht
schuift de dood het licht van onderop in, vanuit de grond. De hei
steeds paarser glanzend - nee in
een kleur die niemand kent... tot het bleke ochtend - licht
door de oogleden naar binnen suist en ik
ontwaak met dat onwrikbare MISSCHIEN dat mij door de wankelende
wereld draagt. En
ieder abstract beeld van de wereld is even onmogelijk als het ontwerp
voor een storm. Thuis
stond alwetend de Encyclopedie, een meter in de boekenkast, ik
leerde erin lezen. Maar
voor ieder mens wordt een eigen encyclopedie geschreven, zij
groeit in iedere ziel, zij
wordt van de geboorte af geschreven en vervolgd, de
honderdduizenden bladzijden dicht tegen elkaar aan gedrukt en toch
met lucht ertussen! als de trillende bladeren in een bos. Het
boek der tegenspraken. Wat
daarin staat wordt ieder ogenblik gewijzigd, de beelden retoucheren
zichzelf, woorden trillen. Een
deining golft door de hele tekst, gevolgd door de volgende en de
volgende... Ik,
donkere romp, drijvend tussen twee sluisdeuren rust in
het hotelbed terwijl de stad rondom ontwaakt. Stil
geraas en grauw licht stromen naar binnen en tillen
mij traag naar het volgende niveau: de ochtend. afgeluisterde
horizon. Zij willen iets zeggen, de doden. Ze
roken maar eten niet, ze ademen niet maar zijn nog bij stem. Eens
zal ik mij als een van hen door de straten haasten. De geblakerde kathedraal, zwaar als een maan, bepaalt eb en vloed.
De
hazelworm, pootloze hagedis, glijdt langs de verandatrap kalm en
waardig als een anaconda: kleiner alleen. De
hemel vol wolken maar de zon drukt zich erdoor. Zo'n soort dag. Vanochtend
verdreef mijn beminde de boze geesten. Zoals
je een deur opentrekt van een donker magazijn in het zuiden en het
licht binnenbruist en de
kakkerlakken pijlsnel in hoeken en gaten wegvluchten en
verdwenen zijn -je zag ze en zag ze niet - zo met
haar naaktheid verjoeg zij de demonen. Alsof
zij er nooit waren geweest. Maar
zij keren terug. Met
duizend handen die de lijnen van de ouderwetse zenuw - telefooncentrale
verkeerd verbinden. Het is
de vijfde juli. De lupinen reikhalzen alsof zij de zee willen zien. Wij
zijn in de kerk van het zwijgen, in de tekstloze vroomheid. Alsof
de gezichten van de onverzoenlijke aartsvaders niet bestonden noch de
spelfout in steen van Gods naam. Ik zag
een tekstget Maar nu
was hij zwak en werd ondersteund door een bodyguard een
goedgeklede jongeman met een glimlach strak als een muilkorf. Een
glimlach die een schreeuw smoorde. De
schreeuw van een kind achtergelaten in een ziekenhuisbed wanneer
de ouders gaan. Het
goddelijke raakt even aan een mens, ontsteekt een vlam maar
wijkt dan terug. Waarom? De vlam
trekt schaduwen tot zich, ze vliegen er knetterend in en
verenigen zich met de vlam die
rijst en roet. En de rook verspreidt zich, zwart en verstikkend. Ten
slotte niets dan zwarte rook, ten slotte slechts de vrome beul- De
vrome beul buigt zich over het
plein en de volksmassa vormt een ruwe spiegel waarin
hij zichzelf kan zien. De
grootste fanaticus is de grootste twijfelaar. Hij weet het niet. Hij
vormt een pact tussen de twee waarin
de een voor de volle honderd procent zichtbaar zal zijn en de
ander onzichtbaar. Wat
verafschuw ik de uitdrukking 'voor de volle honderd procent'! Zij die
nooit ergens anders dan in hun voorkant kunnen bestaan zij die
nooit eens afwezig zijn zij die
nooit de verkeerde deur openen en een glimp van De
Ongeïdentificeerde opvangen - ga aan
hen voorbij! Het is
de vijfde juli. De hemel vol wolken maar de zon drukt zich erdoor. De
hazelworm glijdt langs de verandatrap, kalm en waardig als een
anaconda. De
hazelworm alsof er geen departementen bestonden. De
goudwesp alsof er geen idolatrie bestond. De
lupinen alsof'de volle honderd procent' niet bestond. Ik ken
de diepte waar men zowel gevangene als heerser is, zoals
Persefone. Vaak
lag ik daar beneden in het harde gras en zag hoe de
aarde zich boven mij welfde. Aardgewelf Vaak,
het halve leven. Maar
vandaag heeft mijn blik mij verlaten. Mijn
blindheid is geweken. De
donkere vleermuis heeft mijn gezicht verlaten en
knipt lukraak in de lichte ruimte van de zomer.
De
lente ligt braak. De
zijdezwarte sloot kronkelt
zonder spiegelbeelden naast
mij voort. Het
enige dat glanst zijn
gele bloemen. Ik word
in mijn schaduw gedragen als een
viool in haar
zwarte kist. Het
enige dat ik wil zeggen blinkt
buiten bereik als het
zilver bij de
pandjesbaas.
|
|
|
canandanann 31-01-07
|