sachs
Start

 

                       


Nelly Sachs: 

 


Völker der Erde

zerstöret nicht das Weltall der Worte,

zerschneidet nicht mit den Messern des Hasses

den Laut, der mit dem Atem zugleich geboren wurde.

 

Völker der Erde,

O dass nicht Einer Tod meine, wenn er Leben sagt -

und nicht Einer Blut, wenn er Wiege spricht -

    Volken der aarde,

verwoest niet het heelal van de woorden,

snijd niet in stukken met de messen van de haat

de klank, die met de adem tegelijk geboren werd.

 

Volken der aarde,

dat niet een dood bedoelt, als hij leven zegt -

en niet een bloed, als hij wieg uitspreekt -


Zwischen

deine Augenbrauen

steht deine Herkunft

eine Chiffre

aus der Vergessenheit des Sandes.

 

Du hast das Meerzeichen

hingebogen

verrenkt

im Schraubstock der Sehnsucht.

 

Da säst dich mit allen Sekundenkörnern

in das Unerhörte.

 

Die Auferstehungen

diener unsichtbaren Frühlinge

sind in Tränen gebadet.

 

Der Himmel übt an dir

Zerbrechen.

 

Du bist in der Gnade.

 

Tussen

jouw wenkbrauwen

staat je herkomst

een chiffre

uit de vergetelheid van het zand.

 

Jij hebt het zeeteken

afgebogen

verzwikt

in de schroefstok van het verlangen.

 

Jij zaait je met alle sekondenkorrels

in het onvoorstelbare.

 

De opstandingen

van jou onzichtbare lentes

zijn in tranen gebaad.

 

De hemel oefent aan jou

instorten.

 

Jij bent in de genade.


Was tatet ihr,

Als ihr die Hände van kleinen Kindern waret?

Hieltet ihr eine Mundharmonika, die Mähne

Eines Schaukelpferdes, fasstet der Mutter Rock im Dunkel,

Zeigtet auf ein Wort im Kinderlesebuch -

War es Gott vielleicht, oder Mensch?

   

Wat deden jullie,

toen jullie de handen van kleine kinderen waren?

Hielden jullie een mondharmonika vast, de lokken

van een schommelpaard, grepen jullie de rok van moeder in het

donker? Wezen jullie naar een woord in het kinderleesboek -

Was het God misschien, of mens?


Im Morgengrauen,

Wenn ein Vogel das Erwachen übt -

Beginnt die Sehnsuchtsstunde allen Staubes

Den der Tod verliess.

 

O Stunde der Geburten,

Kreissend in Qualen, darin sich die erste Rippe

Eine neuen Menschen bildet.

Geliebter, die Sehnsucht deines Staubes

Zieht brausend durch mein Herz.

   

In het ochtendgloren,

als een vogel het ontwaken oefent -

begint het verlangensuur van alle stof

dat de dood verliet.

 

O uur van geboorten,

ronddraaiend in pijnen, waarin zich de eerste rib

van een nieuwe mens vormt.

Liefste, het verlangen van jou stof

trekt bruisend door mijn hart.


Israel,

namenloser einst,

noch von des Todes Efeu umsponnen,

arbeitete geheim die Ewigkeit in dir, traumtief

bestiegst du

der Mondtürme magische spirale,

die mit tiermasken verhüllten Gestirne

umkreisend -

in der Fische Mirakelstummheit

oder mit des Widders anstürmender Härte.

 

Bis der versiegelte Himmel aufbrach

un du,

Waghalsigster unter den Nachtwandlern,

getroffen von der Gotteswunde

in den Abgrund aus Licht fielst -  

 

Israël,

zonder naam eens,

noch door de efeu van de dood omsponnen,

werkte in het verborgene de eeuwigheid in jou, droomdiep

bestijg jij

de magische spiraal van de maandtoren,

de met diermaskers verhulde sterren

omcirkelend -

in de vissen mirakelstomheid

of met de steenbokachtige aanstormende hardheid.

 

Tot de verzegelde hemel openbrak

en jij,

grootste waaghals onder de nachtzwervers,

getroffen door de godswonde,

in de afgrond van het licht viel.  


Wie weit dein Weg  

von der Segnung

den Üon der Tränen entlang

bis zu der Wegbiegung

da du in Asche gefallen,

 

dein Feind mit dem Rauch

deines verbrannten Leibes

deine Todverlassenheit

an die Stirn des Himmels schrieb!

 

O solcher Tod!

wo alle helfenden engel

mit blutenden Schwingen

zerrissen im Stacheldraht

der Zeit hingen!  

 

Hoe ver jou weg van de zegen

langs de aeon van tranen

tot aan de wegkruising

waar jij in as gevallen,

 

jouw vijand met de rook

van je verbrandde lichaam

jouw doodverlatenheid

aan het voorhoofd van de hemel schreef!

 

Welk een dood!

waar alle helpende engelen

met bloedende vleugels

verscheurd in de prikkeldraad

van de tijd hingen


Zuweilen wie Flammen

jagt es durch unseren Leib -

als wäre es verwoben noch mit der Gestirne

Anbeginn.

 

Wie langsam leuchten wir in Klarheit auf -  

 

Soms net als vlammen

jaagt het door ons lichaam -

als was het nog verbonden met de sterren

van het begin.

 

Hoe langzaam lichten wij in helderheid op -


So steigt der Berg

in mein Fenster hinein.

Unmeschlich ist die Liebe,

versetzt mein Herz

in den Glanz deines Staubes.

Schwermut-Granit wird mein Blut.

Unmenschlich ist die Liebe.

Nacht und Tod bauen ihr Land

einwärts und auswärts -

nicht für die Sonne.

Stern ist ein versiegeltes Abendwort -

durchrissen

von der unmenschlichen Auffahrt

der Liebe.

 

Zo stijgt de berg

mijn venster binnen.

Onmenselijk is de liefde,

verplaatst mijn hart

in de glans van je stof.

Zwaarmoedig-graniet wordt mijn bloed.

Onmenselijk is de liefde.

Nacht en dood bouwen hun land

naar binnen en naar buiten -

niet voor de zon.

Ster is een verzegeld avondwoord -

doorscheurd

van de onmenselijke opgang

van de liefde.


Schlaf weht das Atemnetz

heilige Schrift

aber niemand ist hier lesekundig

ausser den Liebenden

die flüchten hinaus

durch die singend kreisenden

Kerker der Nächte

traumgebunden die Gebirge

der Toten

übersteigend

 

um dann nur noch

in Geburt zu baden

ihrer eigenen

hervorgetöpferten Sonne -  

 

Slaap waait het ademnet

heilige schrift

maar niemand is hier leesbevoegd

behalve zij die liefhebben

die vluchten naar buiten

door de zingend cirkelende

kerkers van de nachten

droomgebonden de bergen

van de doden

overstijgend

 

om dan slechts nog

in de geboorte te baden

van hun eigen

tevoorschijngepottenbakte zon -


und ob in der Tragödie der Erde

bestimmt ist,

das Sternbild Marter

die blutig gerissene Kieme des Fisches

Wer weiss, wo die Sterne stehen

in des Schöpfers Herrlichkeitsordnung

und wo der Friede beginnt

mit seinem Rubinrot zu ergänzen,

den ersten Buchstaben

der wortlosen Sprache zu schreiben -

 

Wohl besitzt Liebe den Blick,

der durch Gebeine fährt wie ein Blitz

und begleitet die Toten

über den Atemzug hinaus -

 

aber wo die Abgelösten

ihren Reichtum hinlegen,

ist unbekannt.

 

Himbeeren verraten sich im schwärzesten Wald

durch ihren Duft,

aber der Toten abgelegte Seelenlast

verrät sich keinem Suchen -

 

un kann doch beflügelt

zwischen Beton oder Atomen zittern

 

oder immer da,

wo eine Stelle für Herzklopfen

ausgelassen war.  

 

en of in de tragedie van de aarde

bepaald is,

het sterrenbeeld marteling

de bloedig gescheurde kiemen van de vis

Wie weet, waar de sterren staan

in de heerlijkheidsordening van de schepper

en waar de vrede begint

met zijn robijnrood te vervullen,

de eerste letters

van de woordloze taal te schrijven -

 

Wel bezit liefde de blik,

die door het gebeente schiet als een bliksemstraal

en begeleidt de doden

boven de ademhaling uit -

 

maar waar de afgelosten

hun rijkdom neerleggen,

is onbekend.

 

Frambozen verraden zich in het donkerste bos

door hun geur,

maar de afgelegde zielenlast van de doden

verraadt zich aan geen zoeken -

 

en kan toch bevleugeld

tussen beton en atomen trillen

 

of altijd daar,

waar een plek voor hartkloppingen

vrijgelaten was.  


Mit Wildhonig

die Hinterbliebenen

nährten

in frühen Gräbern

einbalsamierten Schlaf

und ausgewanderte Pulse

gossen Dattelwein

in die Bienenwabe

der Geheimnisse.

 

Im schwarzen Kristall der nacht

die eingeschlossene Wespe

der ausgetanzten Zeit

im Starrkrampf lag-

 

Aber du,

aber du,

wie nähre ich dich?

 

Alle Meilensteine aus Staub

überspringt die Liebe,

wie die geköpfte Sonne

im Schmerz

nur Untergang suchend.

 

Mit meinem Untergang

nähre ich dich -  

 

Met wilde honing

de achtergeblevenen

voedden

in vroege graven

ingebalsemde slaap

en geëmigreerde pulsen

goten dadelwijn

in de bijenhoningraat

van de geheimen.

 

In het zwarte kristal van de nacht

de ingesloten wesp

van de uitgedanste tijd

in stijfkramp lag -

 

Maar jij,

maar jij,

hoe voed ik jou?

 

Alle mijlstenen uit stof

overspringt de liefde,

als de onthoofde zon

in pijn

alleen ondergang zoekend.

 

Met mijn ondergang

voed ik jou -


Lichter zum Trost  

Warum weinst du, Seele, so hinieden?

Lächle, denn die Liebe ist gewiss -

Spiele, wenn auch eine Saite riss,

Was verstummt, das spielt in Gottes Frieden.

 

Trocknet, Tränen; siehe doch, es funkeln

Deine Lichter, die den Weg dir weisen -

Heimweh duftend, wie die Schwalben reisen

Deines Herzens Schläge aus dem Dunkeln.

 

Lichten ter troost  

Waarom ween je, ziel, zo hier beneden?

Glimlach, want de liefde is gewis -

Speel nu, al sprong er een snaar,

wat verstomt, dat speelt in Gods vrede.

 

Droogt, tranen, zie toch, ze fonkelen

jouw lichten die jou de weg wijzen -

Heimwee riekend, net als zwaluwen reizen

de slagen van jouw hart vanuit het donker.


Chor der Tröster  

Gärtner sind wir, blumenlos gewordene

Kein Heilkraut lässt sich pflanzen

Von Gestern nach Morgen.

Der Salbei hat abgeblüht in den Wiegen -

Rosmarin seinen Duft im Angesicht der

   neuen Toten verloren -

Selbst der Wermut war bitter nur für gestem.

Die Blüten des Trostes sind zu kurz

   entsprossen

Reichen nicht für die Qual einer

   Kinderträne.

 

Neuer Same wird vielleicht

Im Herzen eines nächtlichen Sängers

   gezogen.

Wer von uns darf trösten?

In der Tiefe des Hohlwegs

Zwischen Gestern und Morgen

Steht der Cherub

Mahlt mit seinen Flügeln die Blitze

   der Trauer

Seine H„nde aber halten die Felsen

   auseinander

Von Gestern und Morgen

Wie die Ränder einer Wunde

Die offenbleiben soll

Die noch nicht heilen darf.

 

Nicht einschlafen lassen die Blitze der Trauer

Das Feld des Vergessens.

 

Wer von uns darf trösten?

 

Gärtner sind wir, blumenlos gewordene

Und stehn auf einem Stern, der strahlt

Und Weinen.

 

Koor van troosters  

TUINDERS ZIJN WE, zonder bloemen nu

Geen heelkruid laat zich planten

Van Gisteren naar Morgen.

De salie in de bakermat is uitgebloeid -

Rozemarijn heeft haar geur in het aanschijn

   van de nieuwe doden verloren -

Zelfs de alsem was alleen gisteren bitter

De bloemen van de troost zijn te kort

   ontsproten

Zijn ontoereikend voor de pijn van een

   kindertraan.

 

Nieuw zaad wordt misschien

In het hart van een nachtelijke

   zanger gekweekt.

Wie van ons mag troosten?

In de diepte van de holle weg

Tussen Gisteren en Morgen

Staat de cherub

Draait met zijn vleugels de schichten

   van rouw

Zijn handen echter houden de rotsen

   uiteen

Van Gisteren en Morgen

Zoals de randen van een wond

Die open blijven moet

Die nog niet helen mag.

 

Niet inslapen laten de schichten van rouw

Het veld van het vergeten.

 

Wie van ons mag troosten?

 

Tuinders zijn we, zonder bloemen nu

En staan op een ster, die straalt

En wenen.


Job  

O jij windroos van de pijnen!

Door oertijdstormen

in de telkens andere richting van het onweer

getrokken;

zelfs jouw zuiden heet nog eenzaamheid.

Waar jij staat, is de snavel van de smarten.

 

Je ogen liggen diep in je schedel verzonken

als holenduiven in de nacht

die de jager blind uithaalt.

Je stem is stom geworden,

want zij heeft teveel Waarom gevraagd.

 

Bij de wormen en vissen heeft je stem zich

gevoegd.

Job, je hebt alle nachtwakes doorweend

maar eens zal het sterrenbeeld van je bloed

alle opgaande zonnen laten verbleken.


Als de profeten  

Als de profeten zouden inbreken

door de deuren van nacht,

met de dierenriem van demonengoden

als een afgrijselijke bloemenkrans

om het hoofd gewonden,

en de geheimen van de vallende en oprijzende

hemelen op hun schouders zouden wiegen

 

voor hen die allang uit afgrijzen zijn weggetrokken -

 

Als de profeten zouden inbreken

door de deuren van de nacht,

en de loop der sterren,

gegrift in hun handpalmen,

goud zouden laten oplichten

 

voor hen die allang in slaap zijn verzonken -

 

Als de profeten zouden inbreken

door de deuren van de nacht,

met hun woorden wonden slaand

in de velden van de sleur,

en een afgelegen oogst zouden binnenhalen

voor de dagloner

 

die 's avonds allang niet meer wacht -

 

Als de profeten zouden inbreken

door de deuren van de nacht,

en een oor zouden zoeken als een vaderland -

Oor der mensheid,

jij, door brandnetels overwoekerd,

zou jij het horen?

Als de stem van de profeten

zou blazen

op de knekelfluiten van vermoorde kinderen,

lucht zou uitademen

die brandde van het gehuil van martelaren,

als zij een brug zou bouwen

van de zuchten van gecrepeerde grijsaards -

 

Oor der mensheid,

jij, bezig met luistervinkje spelen,

zou jij het horen?

 

Als de profeten

op de wieken van de eeuwigheid zouden binnenstormen,

als zij jouw gehoorgang zouden openbreken met de woorden:

Wie van jullie wil oorlog voeren tegen een geheim,

wie wil de sterrendood bedenken?

 

Als de profeten zouden opstaan

in de nacht der mensheid

zoals geliefden, die het hart van de geliefde zoeken,

nacht der mensheid,

zou jij een hart te vergeven hebben?


O de schoorstenen  

En als mijn huid verscheurd zal zijn,

dan zal ik zonder mijn vlees god aanschouwen - Job

 

O de schoorstenen

Op de vernuftig bedachte woningen van de dood,

Toen Israëls  lijf in rook opgegaan trok

Door de lucht -

Als schoorsteenveger ontving een ster hem

Die zwart werd

Of was het een zonnestraal?

 

O de schoorstenen!

Vrijheidswegen voor Jeremia's en Jobs stof -

Wie beraamde jullie en bouwde steen voor steen

De weg voor vluchtelingen uit rook?

 

O de woningen van de dood,

Uitnodigend ingericht

Voor de waard van het huis, die vroeger gast was -

O vingers,

Jullie die de dorpel van de ingang leggen

Als een mens tussen leven en dood -

 

O schoorstenen,

O vingers,

En het lijf van Israël in rook door de lucht!


Jullie die toekeken  

Onder wier ogen gedood werd.

Zoals men ook ogen in de rug voelt,

Zo voelen jullie aan den lijve

De blikken der doden.

 

Hoeveel brekende ogen zullen je aankijken

Als jullie uit de schuilhoeken een viooltje plukken?

Hoeveel smekend geheven handen

In de op martelaarswijze gevlochten takken

Der oude eiken?

Hoeveel herinnering groeit er in het bloed

Van de avondzon?

 

O de niet gezongen wiegeliederen

In de nachtroep van de tortelduif -

Menigeen had sterren naar beneden kunnen halen,

Nu moet de oude put het voor hen doen!

 

Jullie die toekeken,

Jullie die geen moordenaarshanden hieven,

Maar die het stof niet van je verlangen

Veegden,

Jullie die bleven staan, daar, waar het licht

Veranderd wordt.

 

 


 

                         

canandanann  31-01-07

weghezel.jpg (31819 bytes)