|
|
|
| Armando De
veldtocht Misschien
de steen, De bodem
van de binnenplaats: Het gebouw,
het terrein. Meestal met
de stem bekeken: De tred van
de steen. Lopend De gedachte
betasten. Hoe ik het
weet, hoe ik het nooit Te weten
kom. Het is
grijs, het wordt vierkant: Dit
denkbeeld. Stokstijf
wachten op de storm. De tong, De listen
van de wang, De oogholte, De mond een
hok. Nu. Een beval
van enige lengte. Het teken
wil bewegen. De vuist Sluipt naar
links, De huid
wijkt naar rechts: Ademloos
uit lijfsbehoud. Wapenfeit.
Vluchtpoging. We gaan het
zeggen, Zei hij. Dezelfde
berg. Als ik het
zeg, zei hij, Gaan we
klimmen, Ik wil het
mijne, ik wil De treden
van de hemel. Een land,
een land, Achttien
dagen onbegaanbaar. De
trilling. Twaalf eeuwen. De
jammerklachten werden weggehoond, Het
handgebaar verboden. Een
voetstuk, Straatgewoel,
het stramme spel. Over de
leeftijdsgrens en de ommekeer, De geur van
het geschut, Over de
buit en Het
gekletter der woorden. De kokende
rug der kudden. Terloops Gesproken
over het schootsveld, Over mijn
aandeel in de vervoering. De
voorhoede, Waaiend
langs de grens. Geen
onbezonnen vraag, geen Samenspraak. Ze vallen
bedachtzaam aan. ’s Nachts.
De bomen. Het zoeken
van de storm. De
plechtige arm op jacht. Het vaandel
woedend opzij. Het wapen
hijgend naar voren. Het rolde
voorbij, Op hoge
wielen rakelings voorbij: Een giftig
harnas. Gepantserd
dansend. Vuur, riep
hij, vuur. Het rolde
voorbij, het verdween. Waar ze, Naast de
haveloze boom, Met z’n
allen haastig graven, Weerloos
tegen de schedel. Wat blijft:
armen en benen in marmer. Wat
begaanbaar was: de stapels takken. Wat
overzichtelijk was: Het woeste
weefsel van de bossen. Klanken, die de
vader voorzichtig beschreef. Ver weg,
een land op stelten. Hij
vertelde Hoe de wond
de knie genas, hoe Het hoofd
verschoven werd. Elders: De afdruk
van een wespennest. Een been en
meer dan zeven rompen als Bemanning, Ze vergelen
in de sneeuw. Onbesuisde
kledingstukken: Een voorval. Deze boom
is haast groter dan een wolk, de Wolk is
bleker dan de maan. Hier wordt
overnacht. Morgen, als
het vriest, wordt de groep verwoest: een
tafereel, een tafereel. Nee, de
meeste stenen zijn verdwaald. Ze zijn
opgetild en weggesmeten. Daarom zijn
ze hees en achterdochtig. Ze hebben
geen spijt, ze werden opgeleid. Daarom
kunnen ze spreken en wenen. Struikelend
viel de soldaat in slaap. Bij
bezeerde zich en bevroor. Straks: De groep
die volgens zeggen de hemel bedwelmt, Vanuit de
maanstand de hebzucht bekijkt. Ze branden,
hoe ze bijgelovig branden, Opgestapeld
overeind. De tempel
zwaait. Hoe ze
bewogen, hoe ze Hopelijk
omhoog bewegen. Ja, de
groep rekt zich uit, Een tongval
op de landweg wordt Plotseling
groen. Het begon, Daar denk
ik aan. Het eindigt. Vaarwel,
onhoorbare voorouders. Hoe
onvoorzichtig dit meer, Het water
dat de takken wurgt. Hoe
onvoorzichtig dit dwaallicht. Hoe vochtig
het struikgewas: Een
handgemeen, een handgemeen. Zichtbaar: De handen
van de stam. Hoorbaar: Het
gonzende zand. Herkenbaar: Verminkt
achtergelaten. De witte
ingang, de deur brak, Niemand
sprak, De looppas,
de vraag waar het was. Het was
waar ik wil: een dode jas. Nam z´n
armen nooit omhoog, z´n mond
niet meer opzij, sloot z´n
hoofd, stak z´n
handen in de stam. Dat de
vader notabene aan de deur, Aan de deur, Te horen
kreeg dat hij sterven moest. zelf. Nooit te
weten kwam of hij werkelijk wilde of Dat het
door de vijand vriendelijk verzocht werd. Vroeg hij
nog iets? Nee, korte
metten alsjeblieft. Daar
stonden ze, hij werd meteen gemeten. Toen ze
klaar waren greep ie de spiegel En nam
wraak, het evenbeeld was Niet te
spreken. Kwam ie
terug? Nee. Dacht ik
dat Het
verstand de smalste weg, De gladde
toekomst uit gevangenschap Was. Hij wil het
daglicht zien: de betekenis. Dacht dat
het verstand De platte
kant van de aandacht was, Dat het
zich zou verzetten tegen Het getij
of tegen de avondstemming. Er Was sprake
van de terugkeer, Van de
angstige ontvangst. Hoe
verongelijkt hij deed. Er was
sprake Van letsel
in de levensloop. Dacht je
dat. Dat wij nooit met tegenzin, Dat wij
slechts gehoorzaam waren, dat wij zelden Iets te
weten kwamen. Werkelijk? Of dacht je
dat wij eensgezind, dat wij ooit Berouw
hadden. Nee? En of wij
nooit in uniform het een en ander zagen, Dat niet of
nauwelijks door ons veroorzaakt was. Daarom heb
ik nooit geaarzeld. Bewierookt
immers. Zelfs als
je bevelen kreeg dan moesten we, als je Bevelen
kreeg dan wou je. Hoe of het
werd? Nou, we
hebben geholpen, dat zie ik. Dat niemand
enige aandacht, ja haast lachend, Geen moment
gezwegen heeft, dat Niemand
tijd heeft om te weten Wat er
gaande was, dat ook wij Niet keken. Liever geen
berouw. Wat moest
ik, We hadden
immers bekend, Doen.
poëzie / poetry
|
|
|
canandanann 27-05-07
|