jimenez
Start

 

                       


 

Tarde

 

A veces, las estrellas

No se abren en el cielo.

El suelo es el que brilla

Iqual que un estrellado firmamento.

 

 

Avond

Soms gaan de sterren niet

open aan de hemel.

De aarde is het, die glinstert,

als een firmament met sterren bezaaid.  

 


Juan Ramón JIMÉNEZ:

 

 

 

 

 


Eres igual a ti,

Y desigual, lo mismo

Que los azules

Del cielo.

 

Je valt samen met jezelf,

En toch ook weer niet, net als

De blauwe schakeringen

Van de hemel.


Actualidad

 

El corazón immenso

Dentro del sol de cada día

- el árbol incendiado de los aires -,

fruto total del ciele azul !

 

Hagamos grande sólo la verdad presente !

 

Vandaag

 

Het immense hart

In de zon van elke dag

- de in vlammen staande boom van de luchten -

totale vrucht van de blauwe hemel!

 

Laat ons alleen de aanwezige waarheid roemen!


Tarde

 

Cómo, meciéndose, en las copas de oro,

Al manso viento, mi alma

Me dice, libre, que soy todo!

 

Avond

 

Hoe toch, zich wiegend in de gouden kruinen,

Bij zachte wind, mijn ziel

Me zegt, in vrijheid, dat ik alles ben!


 

PASAN TODAS, VERDES, GRANAS . . .

Tú estás allá  arriba, blanca.

 

  Todas, bullangueras, agrias . . .

Tú estás allá  arriba, plácida.

 

  Pasan arteras, livianas . . .

Tú estás allá  arriba, casta.

 

JIJ

 

Allen gaan voorbij, groen, rood...

Jij bent daar boven, wit.

 

Allen strijdlustig, bars...

Jij bent daar boven, vredig.

 

Allen gaan voorbij, luchthartig...

Jij bent daar boven, rein.


MUERTO

 

QUEDÓ FIJO SU PESO:

un platillo en el cieno;

un platillo en el cielo.

 

DOOD

 

Zijn gewicht werd bepaald:

een schaal bleef in de modder;

een schaal bleef in de hemel.


NO CORRAS, VE DESPACIO,

que adonde tienes que ir es a ti solo!

 

¡ Ve despacio, no corras,

que el ni o de tu yo, reciennacido

eterno,

no te puede seguir!

         

Ren niet, ga langzaam:

Je moet alleen op jezelf toegaan!

 

Ga langzaam, ren niet,

want het kind van jouw ik, eeuwig

nieuwgeboren,

kan je niet bijhouden!


NO DEJES IR UN DÍA

sin cojerle un secreto, grande o breve.

Sea tu vida alerta

descubrimiento cotidiano.

Por cada miga de pan duro

que te dé Dios, tú dale

el diamante más fresco de tu alma.

 

Laat geen dag verstrijken

zonder hem een groot of klein geheim te ontfutselen.

Je leven zij waakzaam,

elke dag een ontdekking.

Voor elke kruimel hard brood,

die God jou geeft, geef jij hem

de zuiverste edelsteen van je ziel.


Witte ruïnes

 

1. Witheldere wereld van de ziel

- o eeuwige en pure kindertijd! -,

wie heeft, voordat jij het deed, jouw

hermelijn bevlekt met de sneeuw van jouw pijn?

 

2. Je was ervoor geschapen - ach, en al was het

voor altijd! -

om te stromen als een riviertje

door een lente, die nooit verwelkt.

Maar het wenen liet de slanke golf rijzen

- een eerste wenen zonder zin -,

en oevers vol van illusie stortten

- zonder dat je wat deed, behalve, ze op te richten -

in het vloedbed van jouw schaduwloze stroming!

 

3. Schaduwen van de vreugde;

zonder eigen ademtocht, die het eerste

licht gedoofd had! Schaduwen

van wat, van wie, van wanneer?

Intocht van het sterven

in de rustige, onschuldige ogen!

 

en 4. O hopen eerste brokstukken;

ellendig afval

van lichte torens - onrechtvaardige hand! -,

van zwarte stenen

tegen de witte vlinders,

de zachte bloemen en de lichte winden!


ORILLAS

 

CON QUÉ DELEITE sombra, cada noche,

entramos en tu cueva

- igual que en una muerte

gustosa -,

hartos de pensar, tristes,

en lo que no podemos cada día!

 

  - Los ojos esos que nos miran nuestros ojos

más que otros ojos,

que nuestros ojos miran más que a otros ojos

- estas nostaljias encendidas,

como carbones, del carino -,

también se cierran en nosotros,

casl como en su sombra-.

 

  Silencio. Y quedan

los cuerpos muertos, fardos negros,

a lo largo del muelle abandonado,

unidos sólo, bajo las estrellas,

por su espantoso vencimiento.

 

OEVERS

 

Met welk genot, donker, glijden wij

in jouw grot, nacht voor nacht

- als in een welkome

dood -,

genoeg hebbend van droevige gedachten

over datgene, wat wij niet kunnen, dag voor dag!

 

- De ogen, die ons in de ogen kijken,

meer als in andere ogen,

ogen, in welke de onze meer kijken dan in andere

(deze verlangens, vlammend

als kolen, naar tederheid),

ook zij sluiten zich nu in ons,

bijna als in het eigen donker.-

 

Stilte. Alleen

de dode lichamen, zwarte balen,

blijven op de verlaten

kade liggen, verenigd, onder de sterren,

enkel door het gruwen van hun nederlaag.


LA MúSICA!

. . . Se clava en-

medio del corazón, la rosa abierta

de las voces todas que no hablan.

 

  El mundo grande, el mundo breve,

en donde es ¡oh azul, oh alas! -

todo lo que jamás será  en nosotros,

con la nostaljia, reencontrada,

de los vuelos distantes e infinitos

que no pueden llegar, en esta vida,

a nuestra alma . . .

 

  Luego, el mundo breve se parte - el granc

en un escalofrío nuestro, sombra

- luz - y lágrimas...

 

DE MUZIEK!

...Ze dringt

midden in het hart, de opgebloeide roos

van alle stemmen, die niet spreken.

 

De grote wereld is een kleine wereld,

waarin - o blauw, o vleugels! -

al datgene is, wat nooit in ons zal zijn,

met het teruggevonden verlangen

naar de vluchten, naar de verten, naar oneindige

vluchten, die nooit, in dit leven, komen

kunnen tot aan onze ziel...

 

En dan vervalt de kleine wereld - de grote -

in een koude rilling van ons, in het donker

- licht - en tranen...


EL RECUERDO

 

EL RÍO PASA por debajo

de mi alma, socavándome.

Apenas me mantengo

en mí. No me sostiene

el cielo. Las estrellas

me enganan; no, no están

arriba, sino abajo, allá  en el fondo...

 

 ¿ Soy? ¡Seré!

Seré, hecho onda

del río del recuerdo . . .

 

¡Contigo, agua corriente!

 

DE HERINNERING

 

De rivier stroomt onder mijn ziel

door, mij ondermijnend.

Nauwelijks ben ik nog in staat

stand te houden. De hemel

houdt me niet vast. En de sterren

houden mij voor de gek. Nee, niet daar boven

zijn ze, maar daar beneden in de diepte...

 

Ben ik? Ik zal zijn!

Word tot golf

in de rivier van de herinnering...

 

Met jouw, stromend water!


MARES

 

¡ SIENTO que el barco mío

ha tropezado, allá  en el fondo,

con algo grande!

               ¡Y nada

sucede! Nada . . . Quietud . . . Olas . . .

 

  - ¿Nada sucede; o es que ha sucedido todo,

y estamos ya, tranquilos, en lo nuevo? -

 

ZEEËN

 

Ik merk, dat mijn schip,

diep daar beneden, met iets groots

samenstootte.

 

En niets

gebeurt! Niets...stilte...golven...

 

- Niets gebeurt? Of is alles voorbij,

en wij zijn, rustig van ziel, reeds in het nieuwe?-


¡CUANTO dolor,

belleza!

 

  El odio hace estallar fuegos de acero

en los fuegos lejanos - faros, grandes flores granas -,

de las costas del mar; gritos alertas

de llama blanca y verde,

en los gritos de llamas

en suenos, que, como en los suenos,

no se sabe, de veras, si han sonado . . .

. . . Y son los todavía mal despiertos

- qué mal sabor, qué‚ frio! -

contra los mal dormidos todavía

- ¡qué escalofrio, qu‚ sabor más malo! -

 

  Y la muerte se mezcla con la vida

inesperadamente, aquí y allá , como en relámpagos

de cien colores trájicos y agudos;

se mezcla con el sueno,

que prefiere morir a despertarse,

. . . se mezcla con el sueno.

 

  Va amaneciendo - grana y blanco -.

¡Costas que humean, en el primer sol,

para los que aún viven!

 

HOEVEEL PIJN,

schoonheid!

 

Haat laat stalen vuur opschieten

uit verre vuren - vuurtorens, grote scharlakenrode bloesems -,

aan de kusten van de zee; waarschuwingsschreeuwen

van een witgroene vlam

uit het schreeuwen der droomvlammen,

waarvan men, als in dromen,

niet weet, of ze ook werkelijk bestaan...

...En het zijn de niet echt ontwaakten

- wat een slechte smaak, wat een koude! -

tegen over de nog altijd slecht slapenden

- welk rillen, wat een hondsslechte smaak! -

 

En de dood mengt zich onvoorzien

in het leven, hier en daar, als in het bliksemen

van honderd tragische grauwe kleuren;

hij mengt zich in de droom,

die liever sterft dan wakker wordt,

... hij mengt zich in de droom.

 

Inmiddels daagt het - scharlakenrood en wit.

Kusten, dampend, in het eerste morgenlicht,

voor hen, die nog leven!  


NOCHE

 

¡GRIITO en el maar!

 

Qué corazón, hecho honda- ¡hondero triste! -

te ha gritado? De dónde, grito, dónde,

con qué alas llegar s a tu final?

 

  . . . Cada ola te coje, y tú, lo mismo

que un delfín hecho espada, fuerza solo,

gritas: más,

más, más, más, más . . ..

o, hecha tu ala vela, lo mismo que una golondrina

vas más allá, vas más allá, vas más allá  . . .

 

¡Griiito en el maaar . . . !

¿Las estrellas te ayudan con sus ecos?

¡Griiiiito en el maaaaar . . .!

 

NACHT

 

Roep op de zeeee!

 

Welk hart heeft, tot slinger geworden - arme slingeraar! -

jou geroepen? Van waar, roep, waar, met welke

vleugels zul je toch je doel bereiken?

 

Elke golf grijpt je, en jij, als een

dolfijn, in een zwaard veranderd, in niets dan kracht,

schreeuwt: meer,

meer, meer, meer, meer...,

of je slingert je - de vleugels nu als zeilen - als de zwaluw

verder en maar verder, verder en maar verder...

 

Roeeep op de zeeee....!

 

De sterren helpen je met hun echoos?

 

Roeeeep op de zeeeeee....!


El viaje definitivo

 

Y yo me iré. Y se quedarán los pájaros

Cantando ;

Y se quedará mi huerto, con su verde árbol,

Y con su pozo blanco.

 

Todas las tardes, el cielo-será azul y plácido ;

Y tocarán, como esta tarde están tocando,

Las campanas del campanario.

 

Se morirán aquellos que me amaron;

Y el pueblo se hará nuevo cada año ;

Y en el rincón aquel de mi huerto florido y encalado,

Mi espíritu errará, nostáljico…

 

Y yo me iré; y estaré solo, sin hogar, sin árbol

Verder, sin pozo blanco,

Sin cilo azul y plácido…

Y se quedarán los pájaros cantando.

 

DE ALLERLAATSTE REIS

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen...

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel...

en de vogels zullen blijven en zingen.


"Mijn hart is nu zo zuiver,

dat het om het even is, of het sterft

of zingt.

 

Het kan het boek van het leven vullen of het boek van de dood.

Beiden zijn onbeschreven voor mijn hart, dat denkt en droomt.

 

Evenveel eeuwigheid zal het in beiden vinden.

Hart, het is om het even: sterf of zing."


!QUISIERA

 

!Quisiera que mi libro

fuese, como es el cielo por la noche,

todo verdad presente, sin histoira.

 

Que, como él, se diera en cada istante,

tot, con todas sus estrellas; sin

que ninez, juventud, vejez quitaran

ni pusieran encanto a su hermosura imensa.

 

¡Temblor, relumbre, música

presentes y totales!

!Temblor, relumbre, música en la frente

- cielo del corazón - del libro puro!

 

IK ZOU WILLEN

 

Ik zou willen dat mijn boek was,

zoals de hemel bij nacht,

alle waarheid presenterend, zonder geschiedenis.

 

Dat, net als deze, het zich helemaal zou geven

op elk moment, met al zijn sterren, zonder

dat kindheid, jeugd en ouderdom

konden verminderen of vermeerderen

de betovering van zijn onmetelijke schoonheid.

 

Beving, glans, muziek,

tegenwoordig en alomvattend!

Beving, glans, muziek op het voorhoofd

-          hemel van het hart - van het pure boek!


Como piedra en un pozo,

Así mi corazón, ¡con solo el cielo

Bajo él y sobre él !

 

Als een steen in een put

Zo is mijn hart, met alleen de hemel

Beneden hem en boven hem!

 


¡Qué imensa desgarradura

la de mi vida en el todo,

para estar, cont todo yo,

en cada cosa ;

para no dejar de estar,

con todo yo, en cada coas !

 

Welke een grote scheur

Is mijn leven als geheel,

Om in elk ding

Met mijn hele ik, te zijn,

En altijd te blijven, met mijn

Hele ik, in elk ding!


Cuesta arriba

 

¡ Inmenso almendo en flor,

blanca la copa en el silencio pleno de la luna,

el tronco negro en la quietud total de la sombra ;

cómo, subiendo por la roca agria a ti,

me parece que hundes tu troncón

en las entrañas de mi carne,

que estrallas con mi alma todo el cielo !

 

Reusachtige amandelboom in bloei,

Wit de kelk in de diepe stilte van het maanlicht,

De stam zwart in de volslagen rust van de schaduw;

Het is mij, terwijl ik klim naar jou over ruwe rotsen,

Alsof jij je wortels in het binnenste

van mijn vlees doet zinken,

alsof jij met mijn ziel de hele hemel met sterren bezaait.

 


Nube

 

Lo que yo te veo, cielo,

Eso es el misterio ;

Lo que está de tu otro lado,

Soyyo aquí, soñando.

 

Wolk

 

Wat ik in je zie, hemel,

Dit is het geheim;

Wat aan gene zijde van je is,

Ben ik hier, in dromen verzonken.

 


Eres igual a ti,

Y desigual, lo mismo

Que los azules

Del cielo.

 

Je bent jezelf gelijk,

En toch niet gelijk, net als

De blauwe schakeringen

Van de hemel.

 


¡Clavo que das lla fuerza al alma,

traspasándola ;

que, dejándola esangüe,

la dejas cálida y pletórica ;

dispuesta a todo – a hacerlo todo,

a conquistarlo todo, a oponerse a todo;

a vivir y a morir! –

 

Y nada importa, entonces,

Peligro mi maldad, fraude ni trampa ;

Que todo

Se vence y ¡sólo sonriendo!

 

Spijker, jij die de kracht geeft aan de ziel,

Haar doorborend,

Jij die de uitgebloeide

Doet gloeien, volbloedig,

Bereid tot alles, in staat, alles te doen, zich

Alles te veroveren, alles te weerstaan,

Te leven en te sterven!

 

En niets betekent dan

Bedreiging of boosheid, bedrog of valstrik ,

Want alles

Laat zich overwinnen – en met lachen alleen!

 


  Mi cuerpo se me pierde,, vivo, en mi alma, iqual

‘que el rayo del sol último

en el rayo primero de la luna.

 

-         creo que puedo ver dónde termina

dueña de sí,

mi luz de oro,

y la sigo, contento, por la senda pura…

Mas, cuando creo aún que voy con ella,

Ella se me ha hecho ya plata de luz….-

 

Alma, ¿hasta dónde

Llegarás, muerto yo?

¿Dónde te perderás en lo que venga a ti

de dónde ?

 

Mijn leven ontglipt me, levend, in mijn ziel,

Zoals de laatste zonnestraal

In de eerste straal van de maan.

 

- ik geloof waar te nemen, waar het naar toe streeft,

heel zelfbewust

mijn gouden licht,

en ik volg het, tevreden, op het heldere pad….

Maar, terwijl ik nog geloof, het te volgen,

Is het me reeds tot zilver schijnsel geworden….-

 

Tot waartoe, ziel,

Zul je komen, als ik dood ben?

Waarin zul te verdwijnen, wat op je toekomt

- van waar?  


  ¡Qué hermosa muestra eres, cielo azul del día,

a los despiertos ojos,

de lo despierto !

 

¡Qué ejemplo hermoso eres, cielo azul nocturno,

a los ojos dormidos,

de lo que sueña !

 

Welk mooi voorbeeld ben jij, blauwe hemel van de dag,

Voor de wakkere ogen,

Voor het wakker zijn!

 

Welke mooie gelijkenis ben jij, blauwe hemel van de nacht,

Voor de slapende ogen,

Voor het dromen!  


Sí – dice el día - . No

-         dice la noche - .

 

¿Quién deshoja esta inmensa margarita,

De oro, blanca y negra ?

 

¿Y cuándo, di Seňor de lo increado,

creerás que te queremos?

 

Ja – sagt der Tag

 

Ja – sagt der Tag.

Nein – sagt die Nacht.

 

Wer entblättert die Blüte dieser riesigen,

Gold-Margeritte, weiss und schwarz?

 

Und wann, sag, Herr des Unerschaffenen,

Wirst du glauben, dass wir dich lieben?  


Mi ciudad interior también se estiende

Hacia el ocaso, persiguiendo

El caer del sol triste.

! Jardines de mi alma,

atravesados, unos tras otros, por las graves

luces nunca últimas ;

cárceles, muros de mi alma,

deslumnrados, arriba, de nostaljias infinitas ;

y luego, costas solas de mi alma,

al nunca puesto mar poniente !

 

! Oh luz poniente, nunca puesta,

a través, como un fin nunca acabado,

de todos mis afanes interiores,

que tienen otra torre siempre

para ver más y más el sol

grana, el gran sol redondo y grana,

en el silencio immenso.

 

Auch meine innere Stadt

 

Auch meine innere Stadt streckt sich zum

Abend hin und verfolgt den Untergang

Der schweermütigen Sonne.

Ihr Gärten meiner Seele,

Durchflossen, einer nach dem anderen, von den schweren

Lichtfluten, welche nie versiegen;

Kerker ihr, Mauern meiner Seele,

Hell erschimmerend, zuoberst, von unendlichen Sehnsüchten;

Und dann, einsame Küsten meiner Seele,

Am nie versunkenen Meer der versinkenden Sonne!

 

O versinkendes Licht, niemals versunken,

Durchflutend, wie ein Ende, das niue aufhört,

Alle meine inneren Begierden,

Die immer einen neuen Turm erklimmen,

Um länger, immer länger die Sonne noch zu schauen,

Die grosse, die granatrot runde Sonne

In der unermesslichen Stille.


Nocturno

 

Mi lágrima y la estrella

se tocaron, y al punto,

se hicieron una sola lágrima,

se hicieron una estrella sola.

 

Me quedé ciego, se quedó

ciego, de amor, el cielo.

Fué todo - y nada más - el mundo

pena de estrella, luz de lágrima.

 

Nachtstuk

De ster en mijn tranen

raakten elkaar, en meteen

werden ze een enkele traan,

werden ze één ster.

 

Blind bleef ik staan,

en blind, van liefde, bleef de hemel.

De hele wereld was niets anders dan

sterrenleed, tranenlicht.  


¿ Era su voz la fuga del arroyo,

que se oía correr en el poniente rápido;

o la luz del ocaso moribundo,

que corría en el agua que se iba?

 

Was haar stem dan de vlucht van de beek,

die men hoorde wegstromen in de suizende westenwind;

of het licht van de stervende avond,

wegstromend in het water, dat heen ging?  


No más perderse el alma

-         vana semilla

insepulta y estéril –

por los secretos surcos inifinitos

de la pasada tierre

del amor… !A su cielo,

a su cielo estirado y trasparente,

donde se ve volar

en lo immenso, cantando,

el pajarillo !

 

Niet liggen blijven moet de ziel

-         slapend zaad,

onbegraven en onvruchtbaar –

in de eindeloze, donkere vorens

van de eens geploegde aarde

van de liefde…op naar de hemel,

in haar uitgestrekte, heldere hemel,

daar, waar men vliegen ziet

in het oneindige, zingend,

het vogeltje!  


Mi cuerpo se me pierde,, vivo, en mi alma, iqual

‘que el rayo del sol último

en el rayo primero de la luna.

 

-         creo que puedo ver dónde termina

dueña de sí,

mi luz de oro,

y la sigo, contento, por la senda pura…

Mas, cuando creo aún que voy con ella,

Ella se me ha hecho ya plata de luz….-

 

Alma, ¿hasta dónde

Llegarás, muerto yo?

¿Dónde te perderás en lo que venga a ti

de dónde ?

 

Mijn leven ontglipt me, levend, in mijn ziel,

Zoals de laatste zonnestraal

In de eerste straal van de maan.

 

- ik geloof waar te nemen, waar het naar toe streeft,

heel zelfbewust

mijn gouden licht,

en ik volg het, tevreden, op het heldere pad….

Maar, terwijl ik nog geloof, het te volgen,

Is het me reeds tot zilver schijnsel geworden….-

 

Tot waartoe, ziel,

Zul je komen, als ik dood ben?

Waarin zul te verdwijnen, wat op je toekomt

- van waar?


YO NO SOY YO.
Soy este
que va a mi lado sin yo verlo;
que, a veces, voy a ver,
y que, a veces, olvido.
El que calla, sereno, cuando hablo,
el que perdona, dulce, cuando odio,
el que pasea por donde no estoy,
el que quedará en pié cuando yo muera.

 

ICH BIN NICHT ICH.
Ich bin jener,
der an meiner Seite geht, ohne daß ich ihn erblicke,
den ich oft besuche,
und den ich oft vergesse.
Jener, der ruhig schweigt, wenn ich spreche,
der sanftmütig verzeiht, wenn ich hasse,
der umherschweift, wo ich nicht bin,
der aufrecht bleiben wird, wenn ich sterbe.

 


NOCTURNO

 

POR DOQUIERA QUE MI ALMA

navega, O anda, o vuela, todo, todo

es suyo. ¡Qué tranquila

en todas partes, siempre;

ahora en la proa alta

que abre en dos platas el azul profundo,

bajando al fondo o ascendiendo al cielo!

 

¡Oh, qué serena el alma

cuando se ha apoderado,