|
|
|
| HET HOOGLIED vrij naar een vertaling van M. Buber en F. Rosenzweig
1,1
Het gezang der gezangen dat
Salomo's is. 1,2
Hij drenke mij met de kussen van zijn mond -
ja,
goed doen meer als wijn jouw
liefkozingen, 1,3
als olie heeft zich jouw naam uitgegoten, daarom
hebben de meisjes je lief 1,4
trek mij jou na, lopen wij! Bracht
de koning mij in zijn kamers, ons
verheugen zullen wij en
blij zijn om jou. Meer
als wijn roemen wij jouw liefkozingen, rechtuit
houdt men van je. 1,5
Zwart ben ik en bevallig, dochters
van Jeruzalem. als
de tenten van Kedar, als
de kleden van Salomo. 1,6
Zie mij er niet op aan, dat
ik een zwartachtige ben, omdat
mij de zon verbrandde; De
zonen van mijn moeder zijn
tegen mij ontvlamd. Zij
plaatsten mij als hoedster
van de wijngaarden, maar
mijn eigen wijngaard heb
ik niet gehoed. 1,7
Zeg mij toch, die
mijn ziel liefheeft, waar
jij toch weidt, waar
je smiddags rust, want
waarom zou ik als een smachtende zijn bij
de kuddes van je metgezellen 1,8
-Als je het zelf niet weet, mooiste
onder de vrouwen, trek
zelf verder in de sporen van het kleinvee, en
weid je geiten bij de woonplaatsen van de herders. 1,9
Met een paard in farao's wagenstoet vergelijk
ik jou, mijn vriendin. 1,10
Bevallig zijn jouw wangen in kettinkjes, jouw
hals in mosselschelpketens,- 1,11
Gouden kettinkjes maken we je, met
zilveren klompjes eraan. 1,12
-Zolang de koning aan zijn tafel is, geeft
mijn nardus zijn geur, 1,13
een bosje mirre is mij mijn minnaar, het
verblijft tussen de borsten, 1,14
een cyprusdruif is mij mijn minnaar, in
de wijngaard van En-gedis. 1,15
-Zie, mooi ben je mijn vriendin, zie,
mooi ben je, je
ogen zijn duiven. 1,16
-Zie, mooi ben je, mijn minnaar, zelfs
betoverend, -fris
is ons bed. 1,17
De balken van ons huis zijn ceders, onze
steunbalken zijn cypressen. 2,1
-Ik ben het narcisje van Sharon, de
lelie van de dalen. 2,2
-Als een lelie onder de doornen, zo
is mijn vriendin onder de dochters. 2,3
-Als een appelboom onder het woudhout, zo
is mijn minnaar onder de zonen. Naar
zijn schaduw verlang ik, zit
neer, en
zoet is zijn vrucht voor mijn gehemelte. 2,4
Hij heeft in het huis van de wijn mij gebracht en
over mij is zijn banier, liefde. 2,5
sterkt mij met rozijnengeperste, verkwik
mij met appels, want
ik ben ziek van liefde. 2,6
Zijn linker is onder mijn hoofd, en
zijn rechter streelt mij.- 2,7
Ik bezweer jullie, dochters van Jeruzalem, bij
de gazellen of bij de hinden van het veld, stoort,
wekken jullie niet op de liefde, totdat
het haar bevalt...! 2,8
klank van mijn minnaar! Daar,
hij komt net! Hupt
over de bergen, springt
over de heuvels 2,9
mijn minnaar lijkt op een gazelle of
op het hertebokje. Daar,
hij staat net achter onze muur, kijkt
door de ramen, tuurt
door de tralies. 2,10
Mijn minnaar begint, hij
spreekt tot mij: "Maak
je op, mijn vriendin, mijn schoonheid, en
ga uit! 2,11
Want, voorbij is de winter, de
regen verdween, hij verging, 2,12
de bloesems laten zich in het land zien, aangebroken
is de tijd van het lied, het
koeren van de tortel laat zich horen in ons land, 2,13
de vijg verft haar knoppen, de
druivenranken, uitbottend, geven geur,- maak
je klaar om te gaan, mijn
vriendin, mijn schoonheid, en ga uit!" 2,14
-Mijn duif in de rotsspleten, in
de holen van de steilte, laat
mij je aangezicht zien, laat
mij je stem horen, want
zoet is je stem, bevallig
is je gezicht. 2,15
-Vangt ons de vossen, de kleine vossen, wijngaarden
verderven ze, en
onze wingerden botten uit! 2,16
-Mijn minnaar is van mij, en
ik ben zijn, die
onder de lelies weidt. 2,17
Zolang de dag aan het verwaaien is en
de schaduwen wijken, wend je hierheen, lijk
je, mijn minnaar, op de gazelle of
het hertebokje over de bergen van de scheiding heen (bergen
van Bether). 3,1
Op mijn rustplaats in de nachten zoek ik hem, die
mijn ziel liefheeft, zoek
ik hem en vind hem niet. 3,2
Klaarmaken wil ik mij toch en
de stad doortrekken, over de pleinen, door
de straten, zoeken, die
mijn ziel liefheeft. Ik
zocht hem maar ik vond hem niet. 3,3
Mij vonden de wachters, die
in de stad rondtrekken - "Die
mijn ziel liefheeft, zagen jullie hem?" 3,4
Ik was nog niet aan hen voorbij, toen
vond ik, die mijn ziel liefheeft. Ik
pakte hem vast en liet hem niet los, totdat
ik hem bracht in het huis van mijn moeder, in
de kamer van mijn baarster. 3,5
Ik bezweer jullie, dochters van Jeruzalem, bij
de gazellen of bij de hinden van het veld, stoort,
wekken jullie niet op de liefde, totdat
het haar bevalt...! 3,6
-Wat is dit opstijgend uit de woestijn, lijkend
op rookzuilen, met damp omgeven van
mirre en wierook, van
alle poeder van de marskramer? 3,7
Daar, zijn draagstoel, van Salomo, zestig
helden erom heen in een kring, van
de helden van Israël, 3,8
zwaarddragend zij allen, gevechtsklaar
voor de strijd, ieder
aan zijn heup een zwaard, vanwege
het vreesaanjagende in de nachten. 3,9
Een draagstoel maakte zich koning
Salomo, van
hout uit Libanon, 3,10
de pilaren maakte hij van zilver, de
leuningen van goud, de
zitting van purper, het
inwendige ingelegd, liefdewerk
van de dochters van Jeruzalem. 3,11
Gaat ernaar toe, ziet ernaar, dochters
van Sion, naar de koning Salomo in de kroon, opdat
zijn moeder hem kroonde, op
de dag van zijn huwelijk, op
de dag van zijn vreugde van zijn hart. 4,1
-Daar, jij bent mooi, mijn
vriendin, jij bent mooi. Je
ogen zijn duiven, achter
je sluier komend, Jouw
haar is als een kudde van geiten, die
van de berg Gilead golven, 4,2
je tanden zijn als een kudde van schapen die
geschoren zijn, die
uit de wasplaats stijgen, die
allen zwanger zijn van tweelingen, onder
hen geen enkele miskraam. 4,3
Als een scharlaken snoer zijn je lippen en
bevallig jouw praatorgaan, als
een spleet van de granaatappel is
je slaap (geopende mond), achter
je sluier komend. 4,4
Als de toren van David is je hals voor
omringen is hij gebouwd, het
duizend der schilden hangt eraan, alle
uitrusting van de helden. 4,5
Jouw twee borsten zijn als twee hertejongen, tweelingen
van een gazelle, die onder lelies weiden. 4,6
Zolang de dag aan het verwaaien is en
de schaduwen wijken, ga
ik naar de mirreberg, naar de wierookheuvel. 4,7
Mooi ben je, mijn vriendin, helemaal,
geen vlekje aan jou. 4,8
Met mij van de Libanon, bruid met
mij van de Libanon, kom. Kijk
neer van het hoofd
van Amana, van
het hoofd van Schnir en
de Hermon, van
de holen van de leeuwen, van
de bergen van Pardel (luipaarden). 4,9
Jij hebt mij het hart gestolen, mijn
zuster-bruid, jij
hebt mij het hart gestolen, met
een van je ogen, met
een draaiing van jouw halssmeedsel. 4,10
Hoe mooi is jouw liefkozing, mijn
zuster-bruid, hoe
goed doen jouw liefkozingen, meer
als wijn en de geur van je oliën als alle balsem! 4,11
Honingsiroop druppen jouw lippen, bruid, honing
en melk zijn onder jouw tong, de
geur van je doeken is als de geur van de Libanon. 4,12
Een afgesloten tuin is mijn zuster-bruid, een
afgesloten wel, een
verzegelde bron. 4,13
Wat aan jou ontspringt als
ranken, een
granaatappeltuin is het, met
kostelijke vrucht, cyprusbloemen
met nardus, 4,14
nardus, aloë, kalmoes
en kaneel, met
het allerbeste van
balsem, 4,15
en tuinbron is het, een
bron van levend water, kabbelend
van de Libanon af. 4,16
Ontwaak, Noord, kom, zuid, waai
door mijn tuin, dat
zijn balsem nevelen. In
zijn tuin kome mijn minnaar, en
ete van zijn kostelijke vrucht. 5,1
-Ik kom naar mijn tuin, mijn zuster-bruid, ik
pluk mijn mirre met mijn balsem, ik
eet mijn honingraat met mijn honing, ik
drink mijn wijn met mijn melk. Eet
vrienden, drinkt, en
wordt dronken aan de liefde. 5,2
-Ik slaap en mijn hart waakt. Klank
van mijn minnaar! hij
klopt: "open
mij, mijn zuster, mijn vriendin, mijn
duif, mijn hele, omdat
mijn hoofd vol dauw is, mijn
lokken vol druppels van de nacht." 5,3
Ik heb mijn rok uitgedaan, zal
ik hem weer aantrekken! Ik
heb mijn voeten gewassen, zal
ik ze weer viesmaken! 5,4
Mijn minnaar steekt de hand door het luik en
door mijn lichaam gaat
een opwelling. 5,5
Ik maak me klaar mijn
minnaar te openen - mijn
handen dropen van mirre mijn
vingers van mirrehars aan
de greep van de grendel. 5,6
Ik open, ik mijn minnaar,- mijn
minnaar is afgebogen, weg
van hier. Mijn
ziel gaat uit, zijn
spreken na, ik
zoek hem, ik vind hem niet, ik
roep hem, hij komt mij niet tegemoet. 5,7
Mij vinden de wachters, die
in de stad rondtrekken, ze
slaan mij, verwonden mij, mijn
mantel nemen ze van mij af, die
wachters van de muren. 5,8
-"ik bezweer jullie, dochters van Jeruzalem, vinden
jullie mijn minnaar, wat
willen jullie hem melden? dat
ik ziek van liefde ben." 5,9
-"Wat is jouw minnaar meer als zomaar
een minnaar, mooiste onder de vrouwen, wat
is jouw minnaar meer als zomaar een minnaar dat
jij ons zo bezweert?" 5,10
-"Mijn minnaar is blank en
roodachtig, uitstekend
boven een myriade, 5,11
zijn hoofd gedegen fijnerts, zijn
lokken dadelkrullen, zwart
als de raaf, 5,12
zijn ogen als duiven aan waterbeken, in
melk gebaad, aan
het gevulde rustend, 5,13
zijn wangen als balsemperken, die
specerijen groeien laten, zijn
lippen lelies, van mirrehars druipend, 5,14
zijn handen gouden walsen met
chalcedonen omringd, zijn
lijf een ivoren plaat met
safieren bestikt, zijn
hielen pilaren van albast, 5,15
op fijnerts (gouden) steunen gegrondvest, zijn
aanzien als een libanonboom, uitverkoren
als de ceders, 5,16
zijn gehemelte zoetigheden en
alles bijeen is hij begeerlijk. Dit
is mijn minnaar, dit
is mijn vriend, dochters
van Jeruzalem!" 6,1
-"Waarheen is jou minnaar gegaan, mooiste
onder de vrouwen; waarheen
heeft zich jou minnaar gewend? wij
zullen met jou hem zoeken." 6,2
-"Mijn minnaar daalt af naar zijn tuin, naar
de bloesemperken, in de tuingronden te weiden, lelies
te plukken. 6,3
Ik ben van mijn minnaar, mijn
minnaar is van mij, die
onder de lelies weidt." 6,4
-Mooi ben je mijn vriendin, als
Tirza, de "genadestad", bevallig
als Jeruzalem, vreeswekkend
als zij, de
met vlaggen omvlagde. 6,5
Wend van mij af jouw ogen, omdat
zij mij verwarren! Je
haar is als een kudde geiten die
van Gilead golven, 6,6
je tanden als een kudde schapen, die
uit de wasplaats stijgen, die
alle zwanger zijn van tweelingen, geen
enkele onder hen een miskraam. 6,7
Als een spleet van de granaatappel is je wang van
achter je sluier. 6,8
Zestig zijn de koninginnen, tachtig
bijvrouwen en
meisjes zonder tel - 6,9
een enige is mijn duif, mijn
hele, een
enige is zij bij haar moeder, een
uitverkorene bij haar baarster. De
dochters zien haar, noemen
haar gezegend, de
koninginnen en bijvrouwen, en prijzen haar. 6,10
-wie is deze, die glanst als
het morgenrood, mooi
als de maan, gelouterd als de gloedbal, vreeswekkend
als de met vlaggen omvlagde? 6,11
-naar mijn notentuin daalde ik af, de
scheuten van de planten te bekijken, te
kijken of de druif rankt, of
de granaatappels bloeien, 6,12
opeens - ik
ken mijn ziel niet meer - verplaatst
't mij in
het voertuig van mijn gezel, van
de edele. 7,1
-Draai je, draai je, Sulamitische,
draai
je, draai je, dat
we je bekijken! -Wat
willen jullie aan de
Sulamitische bekijken? -Iets
dat op het dansen van het twee legersteden lijkt. 7,2
Hoe mooi zijn je passen in de schoenen, dochter
van de edele! De
welvingen van je heupen zijn net
als ornamenten, werk van de handen van een meester. 7,3
Je schoot is een ronde schaal, nooit
ontbeert ze de mengdrank! Je
buik een hoop tarwe, met lelies omstoken. 7,4
Je twee borsten zijn als
twee hertejongen, tweelingen
van een gazelle. 7,5
Je hals is als een
toren van ivoor. Je
ogen zijn als vijvers in
Chesbon, aan
de poort van Bat-rabbim. Je
neus is als de libanontoren, die
naar Damaskus uitziet. 7,6
Je hoofd op jou is als de Karmel, de
vlechten van je hoofd als purper, - een
koning verstrikt zich in de lokken. 7,7
-Hoe mooi en hoe mild ben je, geliefde,
in het genieten! 7,8
Deze gestalte van jou lijkt op
de palm en je borsten de druiven. 7,9
Beklimmen wil ik de palmen, grijpen
wil ik haar krullen, dat
jouw borsten mogen zijn als druiven van
de druivenstok, en
je neusadem geur van appels 7,10
en je gehemelte als de goede wijn... -...
die recht in mijn minnaar ingaat,... -...
nog in de slaap beweegt hij de lippen. 7,11
Ik ben van mijn minnaar, naar
mij is zijn begeren. 7,12
Tast toe, mijn minnaar, trekken
wij uit naar het veld, overnachten
wij in de dorpen, 7,13
bezoeken wij de wijngaarden in de vroegte, bekijken
wij, of de wijnstok spruit, of
de knop zich opent, of
de granaatappels gaan bloeien;- daar
wil ik mijn liefkozingen je geven. 7,14
De liefdesbessen geven geur af, aan
onze deuren zijn allerlei kostelijkheden, nieuwe
ook oude, voor
jou mijn minnaar, heb ik ze bewaard. 8,1
Wie geeft jou mij als broer, die
aan de borsten van
mijn moeder zoog! Zou
ik je op straat vinden, ik
kuste je, en
ze mochten mij toch niet bespotten, 8,2
ik voerde je, ik
bracht je in het huis van mijn moeder. Jij
moest mij leren, met
gekruide wijn drenkte ik jou, met
granaatappelmost.- 8,3
Zijn linker onder mijn hoofd, en
zijn rechter liefkoost mij: 8,4
Ik bezweer jullie dochters van Jeruzalem. stoort,
wekt niet de liefde op, tot het haar bevalt,...! 8,5
-Wie is deze, opstijgend van de woestijn, aan
haar minnaar geleund? -Onder
de appelboom heb ik je opgewekt, juist
daar, kwam in weeën met jou, jouw
moeder, juist
daar lag in weeën jouw baarster. 8,6
Plaats mij als een zegel jou
op het hart, als een zegel jou
om de arm, want gewelddadig als de dood is de liefde, hard
als het rijk van de doden het ijveren, haar
flitsen, vuurflitsen,- een
steekvlam O van Hem! 8,7
De vele wateren kunnen niet de liefde blussen, de
stromen kunnen haar niet overspoelen. Gaf
een man alle schatten van zijn huis voor de liefde, men
spotte, men spotte hem. 8,8
-"Van ons is een zuster, een
kleine, ze heeft nog geen borsten,- wat
zullen wij met onze zuster doen op de dag, wanneer
men over haar praat?" 8,9
-"Is ze een muur, bouwen wij zilveren kantelen erboven op, en
is ze een poort, slaan wij een cederplank ertegenaan." 8,10
-Nu ik een muur ben, mijn borsten net torens, zo
werd ik in zijn ogen als een, die vrede vond. 8,11
-Een wijngaard had Salomo in Baal-Hamon en
overhandigde de wijngaard aan de hoeders,- ieder
bracht voor zijn vrucht duizend volle zilverstukken. 8,12
De wijngaard, die mij toebehoort, heb
ik voor het aangezicht,- van
jou, Salomo, zijn die duizend, en
de hoeders van de vruchten tweehonderd." 8,13
-Die jij in de tuinen verblijft, metgezellen
beluisteren je stem, laat
me horen! 8,14
-Vlucht hierheen, mijn minnaar, lijk
jij op een gazelle, of het hertebokje- over
de berg van de balsem!
|
|
|
canandanann 31-01-07
|