celan
Start

 

                       


PAUL CELAN: 

 


NIEDRIGWASSER. Wir sahen

die Seepocke, sahen

Die Napfschnecke, sahen

Die Nägel an unsern Handen.

Niemand schnitt uns das Wort von der Herzwand.

 

(Fährten der Strandkrabbe, morgen,

Kriechfurchen, Wohng„nge, Wind-

zeichnung im grauen

Schlick. Feinsand,

Grobsand, das

van den Wänden Gelöste, bei

andern Hartteilen, im

Schill.)

 

Ein Aug, heute,

gab es dem zweiten, beide,

geschlossen, folgten der Strömung zu

ihrem Schatten, setzten

die Fracht ab (niemand

schnitt uns das Wort von der - -), bauten

den Haken hinaus - eine Nehrung, vor

ein kleines

Unbefahrbares Schweigen.

 

LAAGWATER. Wij zagen

de zeepok, zagen

de bekerslak, zagen

de nagels aan onze handen.

Niemand sneed ons het woord van de hartwand.

 

 

(Sporen van de strandkrab, morgen,

kruipgleuven, woongangen, wind-

tekening in het grauwe

slik. Fijnzand,

ruwzand, het

van de wanden losgeraakte, bij

andere hartdelen, in

de schil.)

 

Een oog, vandaag,

gaf het het tweede, beiden,

gesloten, volgden de stroming tot

hun schaduw, zetten

de vracht af (niemand

sneed ons het woord van de - - ), bouwden

een haak eruit - een smalle landtong, voor

een klein

onbevaarbaar zwijgen.


STEHEN, im Schatten

des wundenmals in der Luft.

 

Für-niemand-und-nichts-Stehn.

Unerkannt,

für dich

allein.

 

Mit allem, was darin Raum hat,

auch ohne

Sprache.

 

STAAN, in de schaduw

van het litteken in de lucht.

 

Voor-niemand-en-niets-staan.

Niet herkend,

voor jou

alleen.

 

Met alles, wat daarin plaats heeft,

ook zonder

taal.


DAS WORT VOM ZUR-TIEFE-GEHN,
das wir gelesen haben.
Die Jahre, die Worte seither.
Wir sind es noch immer.

Weißt du, der Raum ist unendlich,
weißt du, du brauchst nicht zu fliegen,
weißt du, was sich in dein Aug schrieb,
vertieft uns die Tiefe.


Dein

Hinübersein heute Nacht.

Mit Worten holt ich dich wieder, da bist du,

alles ist wahr und ein Warten

auf Wahres.

 

Es klettert die Bohne vor

unserm Fenster: denk

wer neben uns aufwächst und

ihr zusieht.

 

Gott, das lasen wir, ist

ein Teil und ein zweiter, zerstreuter:

im Tod

all der Gemähten

wächst er sich zu.

 

Dorthin

führt uns der Blick,

mit dieser

Hälfte

haben wir Umgang.  


Todesfuge  

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends

wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts

wir trinken und trinken

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt

der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar

Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne

er pfeift seine Rüden herbei

er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde

er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

 

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends

wir trinken und trinken

Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt

der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar

Margarete 

Dein aschenes Haar Sulamith wir schaufeln ein Grab in den Lüften

da liegt man nicht eng

 

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt

er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau

stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr andern spielt weiter zum Tanz auf

 

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends

wir trinken und trinken

ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete

dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

 

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland

er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft

dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

 

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland

wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken

der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau

er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau

ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete

er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft

er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister

aus Deutschland

dein goldenes Haar Margarete

dein aschenes Haar Sulamith


Ik ben alleen  

Ik ben alleen, ik zet de asbloem

in het glas vol rijp zwartsel. Zustermond,

je spreekt een woord, dat voortleeft voor de vensters,

en geluidloos klimt, wat ik droomde, aan mij omhoog.

 

Ik sta in de bloei van het uitgebloeide uur

en spaar een hars voor een late vogel:

hij draagt de vlok sneeuw op levensrode veren;

het korreltje ijs in de snavel, komt hij door de zomer.


De kruiken  

Op de lange tafel van de tijd

drinken de kruiken Gods.

Ze drinken de ogen van de zienden leeg

en de ogen van de blinden,

de harten van heersende schaduwen,

de holle wang van de avond.

Zij zijn de geweldigste drinkers:

zij voeren het lege naar de mond als het volle

en schuimen niet over zoals jij of ik.


Zo ben je dan geworden  

Zo ben je dan geworden

zoals ik je nooit heb gekend:

je hart slaat overal

in een bronnenland,

 

waar geen mond drinkt en geen

gestalte de schaduwen omzoomt,

waar water kwelt voor de schijn

en schijn als water schuimt.

 

Je stijgt in alle bronnen,

je zweeft door elke schijn.

Je hebt een spel verzonnen,

dat wil vergeten zijn.


Uit harten en hersenen  

Uit harten en hersenen

spruiten de halmen van de nacht,

en een woord, door zeisen gesproken,

buigt ze in het leven.

 

Stom als zij

waaien wij de wereld tegemoet:

onze blikken,

misleid, om getroost te zijn,

tasten zich voort,

wenken ons donker naderbij.

 

Blikloos

zwijgt nu jouw oog in mijn oog zich,

zwervend

hef ik jouw hart aan de lippen,

hef jij mij hart aan de jouwe:

wat we nu drinken,

stilt de dorst der uren;

wat we nu zijn,

schenken de uren van de tijd in.

 

Smaken wij hun?

Geen geluid en geen licht

glipt tussen ons, om het te zeggen.

 

O halmen, jullie halmen.

Jullie halmen van de nacht.


Landschap  

Jullie hoge populieren - mensen van deze aarde!

Jullie zwarte vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!

 

Ik zag je, zuster, staan in deze glans.

 

In het laatrood

 

In het laatrood slapen de namen:

een

wekt je nacht

en voert hem, met witte staven langs-

tastend aan de zuidwand van het hart,

onder de dennen:

een, van menselijke gestalte,

schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,

waar de regen zijn intrek neemt als vriend

van een uur van het meer.

In het blauw

spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,

en je lieve naam

rekent zijn letters daartoe.


grafschrift voor Francois  

De beide deuren van de wereld

staan open:

geopend door jou

in de schaduwnacht.

We horen ze slaan en slaan

en dragen het onzekere

en dragen het groen in jouw altijd.


In memoriam Paul Eluard  

Leg de dode de woorden in het graf

die hij sprak, om te leven.

Bed zijn hoofd tussen hen,

laat hem voelen

de tongen van verlangen,

de tangen.

 

Leg op de oogleden van de dode het woord,

dat hij iemand weigerde,

die tot hem zei,

het woord,

waaraan het bloed van zijn hart voorbijsprong,

als een hand, zo naakt als de zijne,

die iemand, die jij tot hem sprak,

in die bomen de toekomst knoopte.

 

Leg hem dit woord op de oogleden:

misschien

treedt in zijn oog, dat nog blauw is,

een tweede, vreemder blauw,

en die iemand, die jij tot hem sprak,

droomt met hem: wij.


Tenebrae  

Nabij zijn wij, heer,

nabij en grijpbaar.

 

Gegrepen reeds, Heer,

de klauwen reeds in elkaar geslagen, alsof

het lichaam van ieder van ons

jouw lichaam was, Heer.

 

Bid, Heer,

bid tot ons,

wij zijn nabij.

 

Windscheef gingen wij heen,

gingen wij heen, om ons te buigen

over trog en kratermeer.

 

Naar de drenkplaats gingen wij, Heer.

 

Het was bloed, het was

wat jij vergoten had, Heer.

 

Het glansde.

 

Het wierp ons jouw beeld in de ogen, Heer.

Ogen en mond staan zo open en leeg, Heer.

Wij hebben gedronken, Heer.

Het bloed en het beeld

dat in 't bloed was, Heer.

 

Bid, Heer.

Wij zijn nabij.


PSALM 

Niemand kneedt ons weer uit aarde en leem,

niemand bespreekt ons stof.

Niemand.

 

Geloofd ben jij, Niemand.

Uit liefde voor jou willen

wij bloeien.

Jou tegemoet.

 

Een niets

waren wij, zijn wij, zullen

wij blijven, bloeiend:

de niets - de

Niemandsroos.

 

Met

de griffel zielenhel,

de stofdraad hemelswoest,

de kroon rood

van het purperrood, dat wij zongen

over, o over

de doorn.                                                   

 - - - - - -   

Niemand boetseert ons weer uit aarde en leem,

niemand spreekt tot ons stof.

Niemand.

 

Geloofd zijt Gij, Niemand.

Om Uwentwil willen wij bloeien.

U tegemoet.

 

Een Niets waren wij, zijn wij,

zullen wij blijven, bloeiend:

de Niets-, de Niemandsroos.

 

Met de stijl zielehelder,

de meeldraad hemelwild,

de kroon rood van het purperwoord,

dat wij zongen boven, o boven de doorn uit.  


Brandmal

Wir schliefen nicht mehr, denn wir lagen im Uhrwerk der Schwermut
und bogen die Zeiger wie Ruten,
und sie schnellten zurück und peitschten die Zeit bis aufs Blut,
und du redetest wachsenden Dämmer,
und zwölfmal sagte ich du zur Nacht deiner Worte,
und sie tat sich auf und blieb offen,
und ich legt ihr ein Aug in den Schoß und flocht dir das andre ins Haar
und schlang zwischen beide die Zündschnur, die offene Ader -
und ein junger Blitz schwamm heran.


Brandmerk


Wij sliepen niet meer, want we lagen in het uurwerk van de weemoed
en bogen de wijzers als roeden,
en ze snelden terug en geselden tot bloedens toe de tijd,
en je sprak toenemende deemstering,
en twaalf keer zei ik jij tot de nacht van je woorden,
en ze opende zich en bleef open,
en ik legde een oog in haar schoot en vlocht het andere in je haar
en plaatste tussen beiden de lont, de open ader-
en een jonge bliksem zwom aan.


HET COMPLETE WERK VAN PAUL CELAN:

Paul Celan 1 Paul Celan 2

 

 


                         

canandanann  31-01-07

weghezel.jpg (31819 bytes)