afscheid
Start Omhoog

 

                       


AFSCHEID

Bundel samengesteld na de dood van mijn moeder mei 1997


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Ik zie haar klein geworden schreden in de verte;

nog een kwartier en zij is aan de wateren;

ik kan het nu niet meer beletten.

 

Dwalende zal ik haar nagaan als de verten

haar hebben ingeademd uit mijn ogen;

de weg ligt van een heengaan overtogen;

 

wij zagen het onzichtbaar wenken.  

 

G.Achterberg

 


IN PROFUNDIS

 

In dit bitter heldere, de dood,

kelder aan kelder grondlicht dwaal ik rond,

een zwemmer onder water, een verbond

met bodemen die nimmer zijn ontbloot.

 

Ik draag gestorven zonlicht in mijn mond,

waardoor, uit het weleer, de tijd

de beelden in de wanden bijt,

die wijken voor mij uit;

verbruikend deze zekerheid,

worden de woorden afgerond

tot eeuwigheid.

 

G.Achterberg

 


BLOEI

 

Vogels blijven ontwaken

tegen uw zwijgen in.

 

In tuinen tussen bloemen,

die al uw donker wraken

lig ik u te verzaken,

dag uit, dag in.

 

Maar elk ontkennen is u noemen

in den voor u volkomen zin.  

 

G. Achterberg

 


 

PASAN TODAS, VERDES, GRANAS . . .

Tú estás allá  arriba, blanca.

 

  Todas, bullangueras, agrias . . .

Tú estás allá  arriba, plácida.

 

  Pasan arteras, livianas . . .

Tú estás allá arriba, casta.

 

JIJ

 

Allen gaan voorbij, groen, rood...

Jij bent daar boven, wit.

 

Allen strijdlustig, bars...

Jij bent daar boven, vredig.

 

Allen gaan voorbij, luchthartig...

Jij bent daar boven, rein.

 

J.R. Jiménez

 


MUERTO

 

QUEDà FIJO SU PESO:

un platillo en el cieno;

un platillo en el cielo.

 

DOOD

 

Zijn gewicht werd bepaald:

een schaal bleef in de modder;

een schaal bleef in de hemel.  

 

J.R. Jiménez


MIJN MOEDER (fragment)

 

Heel klein was mijn moeder

als de pepermuntstruik, het gras.

Nauwelijks wierp zij een schaduw op de dingen, nauwelijks.

De aarde hield van haar,

omdat zij licht voor haar was,

omdat zij haar toelachte

in geluk en in verdriet.

 

De kinderen hielden van haar

en de ouden en het gras

en het licht, dat lieftalligheid bemint en haar zoekt

en haar vlijt.

Om haarentwille is het,

dat ik liefheb, wat niet naar trotse hoogten streeft,

wat zwijgend spreekt:

nederig, breedstammig kruid

en de geest van het water.

 

Wie vertel ik van jou

uit vreemde aarde?

De ochtend vertel ik over jou,

dat hij op haar gelijkt.

Op mijn eindeloze weg

vertel ik de aarde over jou.  

 

Gabriela Mistral

 


DEPRESSION

 

I.

 

Nun schliessen sich wieder die Wege,

auf denen ich unterwegs war.

Es bleibt keine Frist mehr,

verloren zu gehen.

 

Die Erde entzieht sich meinen Schritten.

Ich sinke durch Sumpf auf eine Wolke,

die sich in keinen Himmel mehr hebt.

 

Ich höre nur noch das Gerausch

meiner Schritte,

die nicht mehr vorwärtskommen.

Ich steige hinunter, ich stapfe,

ein Schatten im Schatten.

 

 

DEPRESSIES

 

Nu sluiten zich weer de wegen,

waarop ik onderweg was.

Er blijft geen uitstel meer,

verloren te gaan.

 

De aarde onttrekt zich aan mijn schreden.

Ik zink door moeras op een wolk,

die zich in geen hemel meer verheft.

 

Ik hoor enkel het geruis

van mijn voetstappen,

die niet meer voorwaarts komen.

Ik daal af, ik stap zwaar

een schaduw in de schaduw.

 

II.

 

Ich habe das Tischtuch zerschnitten,

den Tisch zerbrochen,

der für mich gedeckt war,

aus Angst, zu essen, zu trinken.

 

Ich habe das Feuer zertreten,

das für mich geschürt war,

um nicht mit mir warm zu werden.

 

Ich habe den Schlaf zerschnitten

mit den Messern meiner Gedanken

an Schuld und Versagen und Reue,

aus Angst vor den Träumen.

 

Nun wache ich

zwischen den Scherben und Asche

im Kalten allein.

Nur noch die Sohlen brennen

und zischen im Tau,

der sie löscht.

 

Ik heb het tafelkleed kapot gesneden,

de tafel gebroken,

die voor mij gedekt was,

uit angst, om te eten, te drinken.

 

Ik heb het vuur vertrapt,

dat voor mij aangewakkerd was,

om niet met mij warm te worden.

 

Ik heb de slaap kapot gesneden

met het mes van mijn gedachten

aan schuld en mislukken en berouw,

uit angst voor de dromen.

 

Nu waak ik

tussen de scherven en de as

in de koude alleen.

Enkel de zolen branden

en sissen in de dauw,

die ze blust.    

Wolfang Bachler

 


DE ZWARTE HERAUTEN

 

Er vallen klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet!

Klappen als van Gods haat; alsof in hun aanschijn,

de branding van al het geledene

de ziel drassig zou maken... Ik weet niet!

 

Er vallen er weinig; maar ze vallen...

       [ Ze trekken donkere groeven

in het hardste gelaat en in de sterkste rug.

Zullen ze misschien de veulens zijn van barbaarse attila's;

of de zwarte herauten die de Dood ons zendt.

 

Het zijn de diepe vallen van de Christussen van de ziel,

van een aanbiddelijk geloof belasterd door het Lot.

Deze bloedige klappen zijn het geknisper

van een brood dat voor ons verbrand wordt

       [ aan de deur van de oven.

 

En de mens... Sukkel... sukkel! Hij draait de ogen, zoals

wanneer een schouderklopje ons roept;

hij keert zijn dolle ogen, en al het geleefde

wordt drassig, als een poel van schuld, in onze blik.

 

Er vallen klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet!  

 

Cesar Vallejo

 


NIEDRIGWASSER. Wir sahen

die Seepocke, sahen

Die Napfschnecke, sahen

Die Nägel an unsern Handen.

Niemand schnitt uns das Wort von der Herzwand.

 

(Fährten der Strandkrabbe, morgen,

Kriechfurchen, Wohngänge, Wind-

zeichnung im grauen

Schlick. Feinsand,

Grobsand, das

van den Wänden Gelöste, bei

andern Hartteilen, im

Schill.)

 

Ein Aug, heute,

gab es dem zweiten, beide,

geschlossen, folgten der Strömung zu

ihrem Schatten, setzten

die Fracht ab (niemand

schnitt uns das Wort von der - -), bauten

den Haken hinaus - eine Nehrung, vor

ein kleines

Unbefahrbares Schweigen.

 

LAAGWATER. Wij zagen

de zeepok, zagen

de bekerslak, zagen

de nagels aan onze handen.

Niemand sneed ons het woord van de hartwand.

 

 

(Sporen van de strandkrab, morgen,

kruipgleuven, woongangen, wind-

tekening in het grauwe

slik. Fijnzand,

ruwzand, het

van de wanden losgeraakte, bij

andere hartdelen, in

de schil.)

 

Een oog, vandaag,

gaf het het tweede, beiden,

gesloten, volgden de stroming tot

hun schaduw, zetten

de vracht af (niemand

sneed ons hjet woord van de - - ), bouwden

een haak eruit - een smalle landtong, voor

een klein

onbevaarbaar zwijgen.  

 

Paul Celan


STEHEN, im Schatten

des wundenmals in der Luft.

 

Für-niemand-und-nichts-Stehn.

Unerkannt,

für dich

allein.

 

Mit allem, was darin Raum hat,

auch ohne

Sprache.

 

STAAN, in de schaduw

van het litteken in de lucht.

 

Voor-niemand-en-niets-staan.

Niet herkend,

voor jou

alleen.

 

Met alles, wat daarin plaats heeft,

ook zonder

taal.  

 

Paul Celan


Weer

 

Maak weer

water uit mij

 

stromen wil ik

in de stroom

 

in de zee

uitmonden                                                            

 

Rose Ausländer

 


In de vlucht

 

In de vlucht

de wijdte zoeken

 

waar alle woorden

verloren gaan

 

woorden vinden

die jou liefhebben  

 

Rose Ausländer

 


Schuimkoppen

 

Ik kijk naar de schuimkoppen, zo fijn,

zo verschillend van as.

Zoals iemand kijkt naar een lach, eentje,

waarvoor hij zijn leven zou geven,

en die hem kwelt en beschermt,

zo kijk ik nu naar de gepolijste schuimkoppen.

Het is het brosse en mooie gebeuren

van schaven, slijpen,

de overgave, die hen schept.

De gevangen pijn van de zee komt vrij in deze lichte vlechten;

onder de kiel, voor de dam,

daar, waar doorgroefde liefde is,

als op de aarde de bloem,

spuit het schuim. En in haar

breekt de dood binnen, in haar golf,

wordt de zee tot zee, zoals op de rots

van de liefdesgloed de man alleen meer man is,

aan gene zijde van elke daad:

in het melkuitstorten van het leven.

Over deze borstwering, deze rand van materie,

die bron is, niet uitloop,

buig ik mij nu, omdat de vloedstroom stijgt,

en daarin kenter ik, daarin verdrink ik

helemaal vol zwijgen, in volkomen acceptatie,

ongedeerd, nieuw geschapen

uit het onvergankelijke schuimen.  

 

Claudio Rodriguez


Nocturne

 

De aarde voert door de aarde;

maar jij, zee,

voert door de hemel.

 

Met welke zekerheid wijzen de zilveren

en gouden lichten van de sterren

de weg! - Men kan zeggen,

dat de aarde de straat

van het lichaam is,

dat de zee de weg

van de ziel is.

 

Ja, het schijnt,

dat de ziel de enige reiziger

van de zee is; dat het lichaam alleen

achtergebleven is, daar, aan de oever,

zonder haar, nadat het tot ziens heeft gezegd,

plomp, zielloos, als dood.

 

Hoeveel lijkt

de zeereis op de reis in de dood,

in het eeuwige leven!  

 

Juan Ramon Jiménez


Evenwicht

 

Wij gaan

ieder voor zich

de smalle weg

over de hoofden van de doden

- bijna zonder angst -

in het ritme van ons hart,

als waren wij beschermd,

zolang de liefde

duurt.

 

Zo gaan wij

tussen vlinders en vogels

in een verbazend evenwicht

naar een morgen van boomtoppen

- groen, goud en blauw -

en naar het ontwaken

van de geliefde ogen.

                                                             

Hilde Domin


Nocturne

 

Diepe nacht en duisternis

En een lichtende glans op de zee,

En diep in mijn ziel, die onrustig is,

Een groot verlangen naar vree.

 

Dan wordt mij de zwarte onpeilbaarheid

Der duistere diepten tot

Het beeld van Gods verborgenheid,

Het groote mysterie van God.

 

Mij worden de lichtende wateren thans

Het beeld van mijn eigen ziel,

Waarin als een wonder de zachte glans

Van 't godsverlangen viel....

 

De hemel heeft zijn licht gelaat

Gehuld in zwarte nacht,

Maar ruischend door het duister gaat

Een schijnsel, vreemd en zacht.

 

Mijn God verbergt mij Zijn aangezicht,

Maar de glans, die mijn ziel doorgloort

Als de vreugde die over de wateren licht,

Hij ruischt door het duister voort.  

 

J. van der Waals

 

 

 


                         

canandanann  31-01-07

weghezel.jpg (31819 bytes)