|
|
|
|
Quevedo - okeren sonnetten I Alles vervalt
achter het snelvergane sterfelijk jaar
en zijn smalend onthaal: marmeren
monumenten, flitsend staal, een oogwenk
tarten zij de tijd, en tanen. De
voet, nog
voor hij zich een weg kan banen, schrijdt al ten
dode. En mijn bestaan, eenmaal ontsprongen,
vloeit nog enkel arm en vaal de zuigkolk in
van donkere oceanen. Ieder moment is
‚en zwaar schrijden lang, tegen mijn wil
en dank. Door dag en nacht, door slaap en
rust heen blijf ik verder jagen. Tot in een
laatste adem, kort, en wrang. Sterven. Maar
is het erfdeel, overmacht, wet,- en geen
straf: waartoe mij dan beklagen? II Waar ik mij
wend of keer, overal schiet dreiging
tevoorschijn van mijn eigen vuren. Waar ik ook
heen wil, krimp ik in torturen: sarrend begeren,
en vlijmend verdriet. Ik leef
gekerkerd: ik aanvaard het niet, sleep rinkelend
de ketens langs de muren om nog als
tranen door mijn dromen schuren Orpheus te zijn
in een meeslepend lied. Hier in dit
hart woelt razernij, woelt leed; hier, waar de
liefde omsloeg in martelingen, kwelt mij het
felst wat ik het felste zocht. En: -
hartstocht die van geen erbarmen weet - gedoemd te
blijven om mij los te zingen en door geen
lied ooit te zijn losgekocht! III Over mijn ogen
kan de laatste bleke schaduw slaan
die het witte licht afsnijdt, de ziel uit
koortsig hunkeren verleid kan in een
uiterst uur naar buiten breken - Nimmer zal zij
aan gindse vege kreken scheiden van
wat haar schroeit en openrijt: een uitslaand
vuur zal alle dood ten spijt het kille water
tartend oversteken. Ziel, in de
greep van heel een god geslagen, bloed, dat het
felste branden voedsel geeft, merg, waarin
zegevierend vlammen jagen: een lichaam
laten zij; nooit wat daar leeft; stuivend in as,
waardoor mijn zinnen vlagen, en stof uiteen:
stof dat van hartstocht beeft. IV Gisteren enkel
droom en morgen slijk. Tevoren leegte
en even later weer. Dolende vege
stip, tastend naar meer in een beleg
ver buiten elk bereik. Kort is de
slag; de strijd is ongelijk. Ik raak ten
prooi aan eigen tegenweer. Een lijf dat
weigert, waar ik nog op teer, zal mij
begraven. Waarheen ik ook wijk. Gister is weg,
morgen komt nog niet dagen; vandaag dringt
op, woedt, en verschiet - in vlagen mij
medesleurend op het sterven aan. Uur en moment
blijven met mokerslagen op kosten van
mijn barre nood en klagen mijn graf
uithouwen pal in mijn bestaan. V Hondsdagen,
huilende van waanzin, slaan vlammen het
veld in, hitte in oogsten, krampen de landen
langs, dompelen volk in rampen en trillen hels
uit het verzengde graan. 'Zeeoppervlak
in vlammen opgegaan walmt om de zon
in wilde waterdampen en in het
lichaam is het bloed gaan stampen en koortst en
flitst tegen zijn wanden aan. Dorstende
dagen: zonder mededogen slurpen ze lach
en klank uit beek en stromen en schroeien
leeg der bronnen fonkeling - om enkel voor
mijn niet te stelpen ogen hun schrille
dorst eindelijk in te tomen. Alsof ze wisten
dat je henenging. VI Leven is reizen
en de weg is kort. Een doodgaan
waar wij bij zijn is dit leven: gister het
weerloos lichaam bijgebleven en steeds
opnieuw die grafkuil in gestort. Een nauwelijks
bestaan, een opgeschort niets zijn, een
snelvergeten tegenstreven, nog even op de
waanzin voortgedreven dat stof al
ademend vereeuwigd wordt. Zo,
voortbewogen op misleide idee‰n, verwachtingen
onzinnig en verblind, is het zijn
open graf al ingeijld - als wie
spelenderwijs in open zee‰n roerloos is
meegedreven op de wind en onverhoeds
de haven binnenzeilt. VII Muren ontwaarde
ik van mijn vaderland, tijden her
trots, en brok na brok verweerd, onder een druk
van jaren uitgeteerd en mat van
ondermijnde tegenstand. Weg liep ik en
zag beken leeggebrand, uit ijs en
sneeuw nauwelijks opgeveerd, en vee dat
kermend aan de bergen teert waar
slagschaduw een laatste zon aanrandt. Ik ging mijn
huis in, zag het, vuil en krom, een bouwval,
uitgewoond en uitgezogen, mijn zwaard
verroest, mijn wandelstaf een wrak. Toen voelde ik
mij vergaan van ouderdom en had geen
enkel voorwerp meer voor ogen waar geen
verval en waar geen dood uit sprak. VIII Is daar nog
leven ? Antwoordt dan niet ‚en ? Hier met de
jaren die ik heb bezeten! Het noodlot
heeft mijn tijden stukgereten mijn uren,
waanzin wervelt ze uiteen. Mijn krachten
weg, ik weet hoe noch waarheen, mijn leven op,
maar niet het ingesleten eenmaal
geleefde, niet het barre weten. En rampen azen
op mijn merg en been. Gister vervalt.
Nog aan geen morgen toe blijft een
vandaag langstrekken, zonder zin. Ik ben een was,
een zal, een is - doodmoe. Nu, gister,
straks, zijn in dit ballingsoord windsel en
lijkkleed: ik besta nog in opvolgingen van
enkel doden voort. IX Wat blijft er
buiten armoede nog waar binnen dit week
en wrak stuk levensnood? Aan twee
gevaren staat het leven bloot: aanzien en
rijkdom, van kindsbeen tot baar. Een taaie tijd
rafelt het uit elkaar tot flarden
uur. De minste ademstoot steunende om
geluk, eeuwig despoot, is een te veel
en sloopt het leven maar. Leven: een
sterven dat zijn naam niet noemt. Bij krachten
blijven is een strijd aanvaarden die door zijn
inzet al verijdeld wordt. Dwaas wie niet
ziet hoe hij, tot angst gedoemd om een
uiteindelijk verval tot aarde, Nu al een leven
lang ter aarde stort. X Diep in der
ziele kloostergangen zwijgt de open wonde,
maar zij teert op bloed uit slinkend
leven dat het laaien voedt van vuur dat
mij door merg en vezel stijgt. Hol brandt het
uit: as die te gronde zijgt, gloeiende
siddering door nacht en roet waar een skelet
van vuur op verder woedt en dood en rook
braakt en naar adem hijgt. De mensen schuw
ik, daglicht doet mij vluchten. Zwart schalt
mijn klacht: fel over dove zee‰n liet ik mijn
leed, en het vindt geen ontvangst. Mijn zang heb
ik voorgoed gesmoord in zuchten. Nu slaat
ontreddering mijn ziel in twee‰n. En wat mijn
hart was is een land van angst. XI Zeg nooit,
wanneer gij de kometenbaan der vuurpijl
flitsen ziet uit dampend kruit, dat zij op slag
de hemel opensluit: niet al wat
stijgt komt in de hemel aan. Feest is haar
vlucht, laag bij de grond ontstaan en met publieke
bijval uitgeluid. Wie ziet de
zwavel waar de vonk in spuit? Lont is de
grondslag, en de opvlucht is waan. Zie hoe zij
boven in de nacht gerezen zich
openplooiend aan het firmament hemellichamen
evenaart van verre. En tel ze
nochtans niet als een van dezen doorzie hoe
koudvuur, zich ophemelend, rook blijft -
en medefonkelt met de sterren. XII Het steekgeld
voor uw lot praalt in uw handen AIs ware een
god ooit voor geschenken veil: de beste stier
onder de slachtersbijl veroorlooft u
geslepen offeranden. Uw bede om
zegen voor een baat van schanden, behouden -vaart
en wind in allerijl achter uw
woekerwinsten onder zeil, verdient alleen
een klip om op te stranden. Gij bezit
m‚er dan gij ten offer bood, en al uw
zelfbedrog misleidt geen god die eens de
bergen om het goud heen sloot. En dampt het
bloed dan over de altaarranden en raadt ge in
lauwe lever naar uw lot: dan peilt het
oog van God uw ingewanden. vertaling D. Verspoor
|
|
|
canandanann 31-01-07
|